donderdag, november 22, 2007
22 11 07 | Interview op BNR
Voor wie nóg meer wil weten over het boek 'Maastricht, waarheen' kan op de website van BNR Nieuwsradio naar een interview luisteren dat ik afgelopen maandag had in de BNR-radiostudio in Amsterdam. Het programma 'Luchtkastelen' is als volgt nog te beluisteren: surf naar www.bnr.nl, stel aan de linkerkant van de website de datum in op 19.11 en als tijdstip kies je 20.04 uur, druk vervolgens op start. In een nieuw schermpje is het fragment dan te horen. Het zal er, schat ik, niet langer dan vier weken opstaan. Haast is dus geboden!
donderdag, november 15, 2007
15 11 07 | Persbericht!
Nieuw boek over Maastricht en zijn toekomst: 'Maastricht, waarheen? momentopname van een metamorfose' van Branko Eijssen met foto’s van Frits Widdershoven.Maastricht is in beweging, en hoe! Er wordt gepland, gebouwd en gewerkt. Het beeld van de stad verandert vrijwel dagelijks. Branko Eijssen volgde een jaar lang de ontwikkelingen op de voet en schreef dit eigenzinnig relaas van Maastricht aan de vooravond van de grote metamorfose. Hij interviewde een aantal kopstukken in de discussies, zoals Jo Coenen en Guus Beumer. 'Maastricht, waarheen?' is een gemakkelijk leesbaar, overzichtelijk en positief kritisch boek, dat een inhoudelijke bijdrage wil leveren aan de kijk op Maastricht.
Branko Eijssen (Jakarta, 1977) woont in Maastricht en is werkzaam als journalist bij Dagblad De Limburger/Limburgs Dagblad. Hij werkte van augustus 2003 tot en met juni 2007 op de stadsredactie in Maastricht. Bij Uitgeverij TIC verscheen eerder van Branko Eijssen het samen met Marcel Abrahams geschreven boek 'Bronsgroen debuut in Oranje'.
Titel: Maastricht, waarheen? Ondertitel: momentopname van een metamorfose. Auteur: Branko Eijssen. Foto’s: Frits Widdershoven. ISBN: 978-90-78407-23-2. Prijs: 14,90 euro.
Wilt u meer weten over het boek of de auteur, neem dan contact op met Uitgeverij TIC 043-3262414 of kijk op http://www.uitgeverijtic.nl/
vrijdag, november 02, 2007
02 11 07 | Maastricht, waarheen?
Binnenkort verschijnt bij uitgeverij TIC het boek 'Maastricht, waarheen? Momentopname van een metamorfose', met daarin ook verhalen die het afgelopen jaar op dit weblog zijn verschenen. De boekpresentatie is op zaterdag 17 november in boekhandel Selexyz, Dominicanenkerk. Meer informatie: www.uitgeverijtic.nl.
dinsdag, september 11, 2007
11 09 07 | Zesjes-cultuur
Het is de week van de zesjes-cultuur. Het debat, aangezwengeld door Jan Peter Balkenende, krijgt volop ruimte in de media. Als we de premier moeten geloven gaat het hier om een nieuwe Hollandse ziekte. Nederland als luie en verwende natie, waar jongeren niet hard genoeg leren en we met z’n allen in ons werk onvoldoende passie tonen om het land vooruit te helpen.
Het is niet interessant om aan Afaina de Jong te vragen of ze de mening van Balkenende deelt. De 30-jarige Amsterdamse straalt uit dat ze weigert plaats te nemen in het grote peloton behept met die verguisde zesjes-mentaliteit. Deze architecte moet je vooral vragen welke ideeën zij heeft om Nederland vooruit te helpen. De stad en zijn bewoners vormt daarbij de ultieme inspiratiebron, want mensen maken de stad. Hierover meer in het boek.
Meer informatie: www.afarai.com
Het is niet interessant om aan Afaina de Jong te vragen of ze de mening van Balkenende deelt. De 30-jarige Amsterdamse straalt uit dat ze weigert plaats te nemen in het grote peloton behept met die verguisde zesjes-mentaliteit. Deze architecte moet je vooral vragen welke ideeën zij heeft om Nederland vooruit te helpen. De stad en zijn bewoners vormt daarbij de ultieme inspiratiebron, want mensen maken de stad. Hierover meer in het boek.
Meer informatie: www.afarai.com
zaterdag, augustus 25, 2007
25 08 07 | Erbij zijn
De toekomst van Maastricht. Mooi onderwerp voor Jo Coenen. Hét onderwerp voor Jo Coenen. Ooit definieerde de Heerlense architect en stedenbouwkundige in een interview een van zijn belangrijkste drijfveren als volgt: “Erbij zijn waar de stad van de toekomst, en dus de samenleving van de toekomst, wordt ontworpen.” Anno 2007 werkt hij nog steeds vol overgave mee aan het boetseren van Maastricht, om de stad klaar te stomen voor wat komen gaat. Een interview met de voormalige rijksbouwmeester verschijnt ook in het boek.
zondag, juni 10, 2007
10 06 07 | Werk aan de wijk
“De Limburgse hoofdstad is een compacte stad met een rijke geschiedenis. Veel van de belangrijkste bezienswaardigheden liggen in of vlak bij het centrum op de linkeroever van de Maas. De meeste toeristen komen naar Maastricht voor zijn historische binnenstad en monumentale kerken, waarvan de Sint Servaas en de Onze Lieve Vrouwekerk de bekendste zijn. Ook interessant zijn het Natuurhistorisch Museum en het Spaans Gouvernement. Daarnaast vormt de middeleeuwse omwalling een belangrijke attractie. Aan de oeverkant van de rivier liggen het Bonnefantenmuseum en de wijk Céramique.”
Het is een letterlijke tekst uit ‘Maastricht & Zuid-Limburg’ van Capitool Reisgidsen. Natuurlijk is de passage ronkend, dat hoort nu eenmaal in zo’n boekje, en natuurlijk lezen we wat we al wisten: Maastricht is vooral het historische centrum en verder – op Céramique, Wyck en de Sint Pietersberg misschien na – niets.
Geen woord over Randwyck, Pottenberg of Wolder. Logisch, die wijken hebben de bezoekers nu eenmaal weinig te bieden en is dus reclametechnisch weinig interessant. Ze zullen op de toeristische barometer ook in de toekomst niet hoog scoren, maar tegelijkertijd doemt daar een dilemma op. Maastricht dient haar buitenwijken de komende jaren zodanig te revitaliseren dat deze buurten op z’n minst de allure ademen die hoort bij het ‘product Maastricht’ en ervoor zorgen dat Maastricht aantrekkelijk blijft voor bewoners en mensen die er willen wonen.
In de nota ‘Een Sociale Visie op de stad Maastricht 2003-2015’ staat onder meer: “Belangstelling voor stedelijk wonen en wonen in het groen aan de stadsrand groeit. Hierop inspelen biedt kansen voor het vasthouden en het aantrekken van de voor de sociale en economische structuur van de stad zo belangrijke middenklasse met jonge gezinnen. Groei van deze groep geeft meer draagvlak voor: voorzieningen, werkgelegenheid etc.”
Maar hoe doe je dat? Vooropgesteld, Maastricht is vergeleken met steden als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag natuurlijk geen ‘probleemstad’. Noordoost Maastricht is weliswaar door PvdA-minister Ella Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie aangeduid als een van de veertig probleemwijken, maar de problematiek in Nazareth, Wittevrouwenveld, Wyckerpoort of Limmel – de vier buurten die samen ‘Noordoost’ vormen - is van een totaal andere orde dan die in, bijvoorbeeld, de Amsterdamse Bijlmer of Kanaaleiland in Utrecht.
In het rapport ‘Zelfanalyse Grotestedenbeleid 2001’ concludeert de gemeente zelf dat Maastricht over het algemeen een goede woonstad is en dat ook wil blijven. “Wel staan leefbaarheid en veiligheid onder druk, met name in bepaalde buurten en komt de bestaande woningvoorraad niet in voldoende mate overeen met de wensen van de inwoners. Daarnaast is het van belang in te spelen op de groeiende kwaliteitsvraag. De nadruk ligt hierbij op uitbreiding van typische stedelijke woonmilieus met een sterke inmenging van wonen, werken en stedelijke voorzieningen in en aangrenzend aan het huidige stadscentrum en groene woonmilieus aan de rand van de stad.”
Zijn herstructurering – bestaande woongebieden aanpakken – of slopen en nieuwbouw dan de oplossingen? Vaak wel. Niet alleen in Maastricht, het is een landelijke trend. Maar volgens cultureel econoom Arjo Klamer, hoogleraar economie van kunst en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, schuilt daarin ook een gevaar.
In een interview met het Financieele Dagblad zei hij vorig jaar: “Wat wij hard noemen, zijn niet de stenen en het economische, maar de ideeën en mentaliteiten. We moeten een nieuwe balans vinden tussen de snelle veranderingen in de economie en de behoefte aan symbolische waarde. Na jarenlang gefocust te zijn op het commerciële, is het nu zaak om meer oog te hebben op de inhoud.”
Klamer betoogt dat steden wel gebouwen kunnen neerzetten, maar die dan ook “moeten vullen met ideeën”. Wat wil je met een gebouw, wat gebeurt er, hoe worden mensen erdoor geïnspireerd? Dat noemt Klamer niet het vaak gebezigde ‘de creatieve stad’, nee hij heeft het over het ‘culturele kapitaal’ of ‘het inspirerende vermogen van de stad’.
Jaarlijks stoppen gemeente Maastricht en corporaties miljoenen in een zogenaamd leefbaarheidsfonds. Hieruit worden activiteiten voor het verbeteren van de leefbaarheid in buurten bekostigd. Denk aan communicatie, veiligheid, kunst in de wijk, buurtbudgetten en bijzondere buurtprojecten. De resultaten zijn helaas niet altijd direct zichtbaar.
Hoe moeilijk het is om ideeën om te zetten in alledaagse succesvolle praktijk weten eerstejaarsstudenten van de Academie Beeldende Kunsten Maastricht sinds kort ook. Zij volgden, ter afsluiting van de propedeusefase, in mei en juni een project waarin ze op zoeken gingen naar ‘de ideale stad’. Het is de bedoeling dat ze een levendige en geëngageerde bijdrage leveren aan de toekomst van de stad. Het centrum van Maastricht was verboden terrein, hun onderzoek concentreerde zich op de buitenwijken.
De aankomende kunstenaars en ontwerpers doolden door de buurten van Maastricht, op zoek naar inspiratie die ze kunnen gebruiken om die buitenwijken – voor zover dat nodig is – leven in te blazen door middel van bijvoorbeeld kunst, cultuur en architectuur. Projectleider Erik de Jong toonde zich tijdens een bijeenkomst, een paar weken voor het verstrijken van de deadline, wel een beetje teleurgesteld over de eerste oogst. Meer dan kreten als een wisselend kunstwerk of een kunstwand met foto’s van de favoriete plekjes van wijkbewoners kwamen de kunststudenten nog niet.
En als zij – toch ook een beetje het culturele kapitaal van Maastricht - het al niet weten…? Maar misschien, zegt Arjo Klamer, is het ook niet altijd nodig. Niet dat Maastricht het van plan was, maar hij pleit ervoor niet alle belangrijke economische functies naar de buitenwijken te verplaatsen. Dan krijg je in zijn visie een allesbehalve leefbare stad.
“Een stad mag best iets unheimisch hebben”, zegt Klamer in het Financieele Dagblad. “Gevaarlijke buurten, lugubere cafés, plekken waar gehandeld wordt of tippelzones. Iedere grote, goede stad heeft dat. Ik zou het niet kunnen organiseren, maar zou je dat allemaal elimineren, dan haal je, gek genoeg, de ziel van een stad eruit. Die schaduwzijde moet er ook zijn. Het gaat dus om veelzijdigheid.”
Het is een letterlijke tekst uit ‘Maastricht & Zuid-Limburg’ van Capitool Reisgidsen. Natuurlijk is de passage ronkend, dat hoort nu eenmaal in zo’n boekje, en natuurlijk lezen we wat we al wisten: Maastricht is vooral het historische centrum en verder – op Céramique, Wyck en de Sint Pietersberg misschien na – niets.
Geen woord over Randwyck, Pottenberg of Wolder. Logisch, die wijken hebben de bezoekers nu eenmaal weinig te bieden en is dus reclametechnisch weinig interessant. Ze zullen op de toeristische barometer ook in de toekomst niet hoog scoren, maar tegelijkertijd doemt daar een dilemma op. Maastricht dient haar buitenwijken de komende jaren zodanig te revitaliseren dat deze buurten op z’n minst de allure ademen die hoort bij het ‘product Maastricht’ en ervoor zorgen dat Maastricht aantrekkelijk blijft voor bewoners en mensen die er willen wonen.
In de nota ‘Een Sociale Visie op de stad Maastricht 2003-2015’ staat onder meer: “Belangstelling voor stedelijk wonen en wonen in het groen aan de stadsrand groeit. Hierop inspelen biedt kansen voor het vasthouden en het aantrekken van de voor de sociale en economische structuur van de stad zo belangrijke middenklasse met jonge gezinnen. Groei van deze groep geeft meer draagvlak voor: voorzieningen, werkgelegenheid etc.”
Maar hoe doe je dat? Vooropgesteld, Maastricht is vergeleken met steden als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag natuurlijk geen ‘probleemstad’. Noordoost Maastricht is weliswaar door PvdA-minister Ella Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie aangeduid als een van de veertig probleemwijken, maar de problematiek in Nazareth, Wittevrouwenveld, Wyckerpoort of Limmel – de vier buurten die samen ‘Noordoost’ vormen - is van een totaal andere orde dan die in, bijvoorbeeld, de Amsterdamse Bijlmer of Kanaaleiland in Utrecht.
In het rapport ‘Zelfanalyse Grotestedenbeleid 2001’ concludeert de gemeente zelf dat Maastricht over het algemeen een goede woonstad is en dat ook wil blijven. “Wel staan leefbaarheid en veiligheid onder druk, met name in bepaalde buurten en komt de bestaande woningvoorraad niet in voldoende mate overeen met de wensen van de inwoners. Daarnaast is het van belang in te spelen op de groeiende kwaliteitsvraag. De nadruk ligt hierbij op uitbreiding van typische stedelijke woonmilieus met een sterke inmenging van wonen, werken en stedelijke voorzieningen in en aangrenzend aan het huidige stadscentrum en groene woonmilieus aan de rand van de stad.”
Zijn herstructurering – bestaande woongebieden aanpakken – of slopen en nieuwbouw dan de oplossingen? Vaak wel. Niet alleen in Maastricht, het is een landelijke trend. Maar volgens cultureel econoom Arjo Klamer, hoogleraar economie van kunst en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, schuilt daarin ook een gevaar.
In een interview met het Financieele Dagblad zei hij vorig jaar: “Wat wij hard noemen, zijn niet de stenen en het economische, maar de ideeën en mentaliteiten. We moeten een nieuwe balans vinden tussen de snelle veranderingen in de economie en de behoefte aan symbolische waarde. Na jarenlang gefocust te zijn op het commerciële, is het nu zaak om meer oog te hebben op de inhoud.”
Klamer betoogt dat steden wel gebouwen kunnen neerzetten, maar die dan ook “moeten vullen met ideeën”. Wat wil je met een gebouw, wat gebeurt er, hoe worden mensen erdoor geïnspireerd? Dat noemt Klamer niet het vaak gebezigde ‘de creatieve stad’, nee hij heeft het over het ‘culturele kapitaal’ of ‘het inspirerende vermogen van de stad’.
Jaarlijks stoppen gemeente Maastricht en corporaties miljoenen in een zogenaamd leefbaarheidsfonds. Hieruit worden activiteiten voor het verbeteren van de leefbaarheid in buurten bekostigd. Denk aan communicatie, veiligheid, kunst in de wijk, buurtbudgetten en bijzondere buurtprojecten. De resultaten zijn helaas niet altijd direct zichtbaar.
Hoe moeilijk het is om ideeën om te zetten in alledaagse succesvolle praktijk weten eerstejaarsstudenten van de Academie Beeldende Kunsten Maastricht sinds kort ook. Zij volgden, ter afsluiting van de propedeusefase, in mei en juni een project waarin ze op zoeken gingen naar ‘de ideale stad’. Het is de bedoeling dat ze een levendige en geëngageerde bijdrage leveren aan de toekomst van de stad. Het centrum van Maastricht was verboden terrein, hun onderzoek concentreerde zich op de buitenwijken.
De aankomende kunstenaars en ontwerpers doolden door de buurten van Maastricht, op zoek naar inspiratie die ze kunnen gebruiken om die buitenwijken – voor zover dat nodig is – leven in te blazen door middel van bijvoorbeeld kunst, cultuur en architectuur. Projectleider Erik de Jong toonde zich tijdens een bijeenkomst, een paar weken voor het verstrijken van de deadline, wel een beetje teleurgesteld over de eerste oogst. Meer dan kreten als een wisselend kunstwerk of een kunstwand met foto’s van de favoriete plekjes van wijkbewoners kwamen de kunststudenten nog niet.
En als zij – toch ook een beetje het culturele kapitaal van Maastricht - het al niet weten…? Maar misschien, zegt Arjo Klamer, is het ook niet altijd nodig. Niet dat Maastricht het van plan was, maar hij pleit ervoor niet alle belangrijke economische functies naar de buitenwijken te verplaatsen. Dan krijg je in zijn visie een allesbehalve leefbare stad.
“Een stad mag best iets unheimisch hebben”, zegt Klamer in het Financieele Dagblad. “Gevaarlijke buurten, lugubere cafés, plekken waar gehandeld wordt of tippelzones. Iedere grote, goede stad heeft dat. Ik zou het niet kunnen organiseren, maar zou je dat allemaal elimineren, dan haal je, gek genoeg, de ziel van een stad eruit. Die schaduwzijde moet er ook zijn. Het gaat dus om veelzijdigheid.”
woensdag, mei 16, 2007
16 05 07 | Drieluik
Luxemburg is het, Essen wordt het en Maastricht wil het. Luxemburg was cultuurhoofdstad van Europa in 1995 en is het dit jaar weer, Essen draagt deze titel in 2010 samen met het Turkse Istanbul en het Hongaarse Pécs, en Maastricht wil in 2018 Europa en de wereld dolgraag laten zien wat het op cultureel gebied waard is. Een drieluik.
dinsdag, april 24, 2007
24 04 07 | Creatief
Laatst kwam het weer ergens voorbij. Ik had het eigenlijk al een tijdje niet meer gehoord. Het ontsnapte uit de mond van de vrouw die was belast met de presentatie van de tweede aflevering van de Lange Nacht van de Creativiteit in het Centre Céramique. Ze vroeg zich hardop af: “Hoe is het toch met de creatieve industrie?” Goede vraag. Hoe is in Maastricht eigenlijk met het begrip dat de afgelopen vijf jaar heel wat wethouders en beleidsmakers heeft betoverd, of moeten we zeggen geïnspireerd?
Met dank aan de Amerikaanse econoom Richard Florida. Zijn boek ‘The Rise of the Creative Class’ uit 2002 wordt door velen als een soort bijbel gezien, met daarin het antwoord op de vraag hoe een stad economische groei kan bewerkstelligen. In het kort komt het hier op neer: creativiteit is de nieuwe motor achter de economie. Populair geformuleerd: creativiteit is de sleutel tot succes, het kapitaal van de toekomst. In steden als Glasgow, Manchester, Rotterdam, Berlijn en Barcelona heeft het ‘creatieve wonder’ zich al voltrokken.
Toen de binnenstad van Maastricht in november 2006 door opinieweekblad Elsevier werd uitgeroepen tot de economisch sterkste (de beste mix van horeca, winkels, cultuur en zakelijke diensten) van Nederland, voor Den Bosch en Roermond, benadrukte wethouder Jean Jacobs nog maar eens dat creatieve industrie “het toverwoord is” en blijft. Ook al is het aandeel in de werkgelegenheid nauwelijks meer dan 2 procent, zo bleek uit onderzoek van TNO.
Toch blijft creatieve industrie een aantrekkelijk speeltje voor de mensen die in steden aan de touwtjes trekken. Het invloedrijke betoog van Florida gedijt overal in de wereld, dus ook in Nederland. Zelfs de koningin refereerde er enkele jaren geleden aan in haar troonrede. De ministerraad besloot in februari 2006 17 miljoen euro uit te trekken voor de creatieve industrie. Provincies spreken hoopvolle verwachtingen uit in trendrapportages en de Limburgse steden kunnen en willen niet achterblijven.
Venlo heeft cultuurwijk Q4, Roermond en Weert doen ook verwoede pogingen op creatief gebied en in Zuid-Limburg hebben Sittard-Geleen, de Parkstad en Maastricht afgesproken zich als ‘Tripolis’ in te spannen om de creatieve industrie tot een succes te maken.
Het gedachtegoed van Florida is in de loop der jaren gecultiveerd. Zijn theorie is als volgt: nu het tijdperk van diensten en industrie voorbij zijn, draait alles om kennis en technologie. Steden moeten inzetten op creatief talent. Tot die ‘creatieve klasse’ rekent Florida niet alleen ontwerpers, musici, schrijvers, architecten en kunstenaars, maar ook wetenschappers, ondernemers, ingenieurs ict-ers en andere technici.
Zij kunnen voor nieuwe economische impulsen zorgen, omdat zij volgens Florida niet de woonplaats selecteren op de banen die er zijn. Het werkt andersom: de bedrijven met hun banen vestigen zich waar het creatieve talent zit. Een slimme stad zorgt er dus voor dat het aantrekkelijk is voor deze groep, veelal jonge mensen. Zij komen af op het leefklimaat.
Natuurlijk is deze categorie personen niet nieuw. Creatievelingen zijn er altijd al geweest. Maar de creative class van Florida maakt, zo schrijft hij in zijn boek, in veel Westerse landen tegenwoordig 30 procent of meer van de beroepsbevolking uit. De creatieve klasse is in Amerika inmiddels groter dan de traditionele working class, werknemers in bijvoorbeeld de fabriek en transportindustrie.
Deze groep zorgt voor het veranderen van traditionele samenlevingspatronen. Zij kijkt op een andere manier tegen werk en vrije tijd aan. Creativiteit laat zich moeilijk inroosteren. Florida concludeert dat stress en burn-outs typerend zijn voor deze klasse. Toch hebben zij een hoge economische toegevoegde waarde voor de maatschappij. Dit kan, bijvoorbeeld, door het bedenken van nieuwe software, maar ook door het ontwerpen van een trendy modemerk of het zorgen voor een miljoenensucces van een band met een hitsingle.
Creatieve steden beschikken in de theorie van Florida over de drie T’s die de ingrediënten vormen voor economische groei: Talent, Tolerantie en Technologie. Een stad moet bijvoorbeeld investeren in high-tech industrie, een goede universiteit en een open klimaat voor nieuwkomers. Etnische diversiteit, beweert Florida, heeft een gunstig effect op de creativiteit. Net als een relatief groot aantal homoseksuele paren. Zie de T van Tolerantie: Florida’s Gay Index als indicator van creativiteit is wereldberoemd.
Maar een bloeiend cultureel en creatief klimaat laat zich niet van bovenaf opleggen. Op zoek naar een alternatief voor de langzaam maar zeker verdwijnende maakindustrie kijken overheden en andere instellingen naar de creatieve ondernemers. Steden als Maastricht worstelen met de vraag hoe de creatieve klasse en daarmee de creatieve industrie naar hen toe kan worden getrokken. Er zijn al vele onderzoeken gedaan, in de hoop enige antwoorden te vinden.
Feit is dat de creatieve industrie een ongrijpbaar fenomeen blijft. Een veelgehoord kritiekpunt op het boek van Florida is dat hij nagenoeg alle hoogopgeleiden tot de creatieve klasse rekent. Maar op welke manier ze precies bijdragen aan de stedelijke cultuur blijft vaag.
Er wordt veel over gepraat, er wordt in geïnvesteerd. Maar wat levert het op. De vraag is dan ook: waar zijn de creatieve spelers in Maastricht? Hoe (on) zichtbaar zijn ze. Wat doen ze? Waar? Wat levert het de stad eigenlijk op?
Met dank aan de Amerikaanse econoom Richard Florida. Zijn boek ‘The Rise of the Creative Class’ uit 2002 wordt door velen als een soort bijbel gezien, met daarin het antwoord op de vraag hoe een stad economische groei kan bewerkstelligen. In het kort komt het hier op neer: creativiteit is de nieuwe motor achter de economie. Populair geformuleerd: creativiteit is de sleutel tot succes, het kapitaal van de toekomst. In steden als Glasgow, Manchester, Rotterdam, Berlijn en Barcelona heeft het ‘creatieve wonder’ zich al voltrokken.
Toen de binnenstad van Maastricht in november 2006 door opinieweekblad Elsevier werd uitgeroepen tot de economisch sterkste (de beste mix van horeca, winkels, cultuur en zakelijke diensten) van Nederland, voor Den Bosch en Roermond, benadrukte wethouder Jean Jacobs nog maar eens dat creatieve industrie “het toverwoord is” en blijft. Ook al is het aandeel in de werkgelegenheid nauwelijks meer dan 2 procent, zo bleek uit onderzoek van TNO.
Toch blijft creatieve industrie een aantrekkelijk speeltje voor de mensen die in steden aan de touwtjes trekken. Het invloedrijke betoog van Florida gedijt overal in de wereld, dus ook in Nederland. Zelfs de koningin refereerde er enkele jaren geleden aan in haar troonrede. De ministerraad besloot in februari 2006 17 miljoen euro uit te trekken voor de creatieve industrie. Provincies spreken hoopvolle verwachtingen uit in trendrapportages en de Limburgse steden kunnen en willen niet achterblijven.
Venlo heeft cultuurwijk Q4, Roermond en Weert doen ook verwoede pogingen op creatief gebied en in Zuid-Limburg hebben Sittard-Geleen, de Parkstad en Maastricht afgesproken zich als ‘Tripolis’ in te spannen om de creatieve industrie tot een succes te maken.
Het gedachtegoed van Florida is in de loop der jaren gecultiveerd. Zijn theorie is als volgt: nu het tijdperk van diensten en industrie voorbij zijn, draait alles om kennis en technologie. Steden moeten inzetten op creatief talent. Tot die ‘creatieve klasse’ rekent Florida niet alleen ontwerpers, musici, schrijvers, architecten en kunstenaars, maar ook wetenschappers, ondernemers, ingenieurs ict-ers en andere technici.
Zij kunnen voor nieuwe economische impulsen zorgen, omdat zij volgens Florida niet de woonplaats selecteren op de banen die er zijn. Het werkt andersom: de bedrijven met hun banen vestigen zich waar het creatieve talent zit. Een slimme stad zorgt er dus voor dat het aantrekkelijk is voor deze groep, veelal jonge mensen. Zij komen af op het leefklimaat.
Natuurlijk is deze categorie personen niet nieuw. Creatievelingen zijn er altijd al geweest. Maar de creative class van Florida maakt, zo schrijft hij in zijn boek, in veel Westerse landen tegenwoordig 30 procent of meer van de beroepsbevolking uit. De creatieve klasse is in Amerika inmiddels groter dan de traditionele working class, werknemers in bijvoorbeeld de fabriek en transportindustrie.
Deze groep zorgt voor het veranderen van traditionele samenlevingspatronen. Zij kijkt op een andere manier tegen werk en vrije tijd aan. Creativiteit laat zich moeilijk inroosteren. Florida concludeert dat stress en burn-outs typerend zijn voor deze klasse. Toch hebben zij een hoge economische toegevoegde waarde voor de maatschappij. Dit kan, bijvoorbeeld, door het bedenken van nieuwe software, maar ook door het ontwerpen van een trendy modemerk of het zorgen voor een miljoenensucces van een band met een hitsingle.
Creatieve steden beschikken in de theorie van Florida over de drie T’s die de ingrediënten vormen voor economische groei: Talent, Tolerantie en Technologie. Een stad moet bijvoorbeeld investeren in high-tech industrie, een goede universiteit en een open klimaat voor nieuwkomers. Etnische diversiteit, beweert Florida, heeft een gunstig effect op de creativiteit. Net als een relatief groot aantal homoseksuele paren. Zie de T van Tolerantie: Florida’s Gay Index als indicator van creativiteit is wereldberoemd.
Maar een bloeiend cultureel en creatief klimaat laat zich niet van bovenaf opleggen. Op zoek naar een alternatief voor de langzaam maar zeker verdwijnende maakindustrie kijken overheden en andere instellingen naar de creatieve ondernemers. Steden als Maastricht worstelen met de vraag hoe de creatieve klasse en daarmee de creatieve industrie naar hen toe kan worden getrokken. Er zijn al vele onderzoeken gedaan, in de hoop enige antwoorden te vinden.
Feit is dat de creatieve industrie een ongrijpbaar fenomeen blijft. Een veelgehoord kritiekpunt op het boek van Florida is dat hij nagenoeg alle hoogopgeleiden tot de creatieve klasse rekent. Maar op welke manier ze precies bijdragen aan de stedelijke cultuur blijft vaag.
Er wordt veel over gepraat, er wordt in geïnvesteerd. Maar wat levert het op. De vraag is dan ook: waar zijn de creatieve spelers in Maastricht? Hoe (on) zichtbaar zijn ze. Wat doen ze? Waar? Wat levert het de stad eigenlijk op?
woensdag, maart 21, 2007
21 03 07 | Shitty marketing
Carnaval is alweer een maand voorbij, maar één ding is bij velen toch blijven hangen: shitty marketing. Juist ja, de cynische, humoristische maar bovenal in al zijn eenvoud dodelijk effectieve variant op citymarketing, waarmee Tempeleer Jan Janssen tijdens de sleuteloverdracht op 17 februari in het stadhuis dat zo veel gepredikte begrip vakkundig naar de prullenmand verwees.
Tot verdriet van de mensen die dit beleid achter de schermen professioneel vorm en richting proberen te geven. Ook al konden ze misschien in eerste instantie nog lachen om de carnavalsspeech van ‘oppertoeker’ Janssen, de gevolgen zijn funest. Niemand in de stad spreekt nog over citymarketing, maar over het met een negatieve connotatie gepaard gaande shitty marketing.
Maar laten we eerlijk zijn. Janssen heeft niks misdaan. Had hij soms ongelijk dat hij Leers en de zijnen verweet dat de tiende boog (de onderdoorgang van de Servaasbrug die in oude glorie wordt hersteld om een wandelpromenade mogelijk te maken) een regelrechte aanfluiting is omdat toeristen en Maastrichtenaren al ruim twee jaar kampen met de gevolgen van een opgebroken brug?
Nee, zeker niet, want een slechtere reclame bestaat bijna niet. Die vreselijk lelijke houten noodbrug is het tegenovergestelde van alles wat citymarketing betoogt te zijn. Terecht vroeg zich Janssen zich dus met een knipoog af wat precies het effect is van dat beleid. Een vraag die je zo langzamerhand serieus moet opwerpen.
Met trillende knieën zitten de citymarketeers achter de schrijftafel. Alles wat ze vanaf nu bedenken moet wel héél goed zijn om de Maastrichtenaar die shitty marketing in zijn hoofd heeft zitten, nog op andere gedachten te brengen. Tot op heden is het verhaal erachter te zwak en onduidelijk gebleken. Zie het al eerder gememoreerde misverstand over cultuur.
Het ‘nieuws’ waar Theaterdirecteur Guido Wevers deze week mee naar buiten kwam, moet dan ook vooral gezien worden als een handreiking naar de Maastrichtse cultuurwereld en niet zo zeer als volgende stap in het citymarketingplan van de gemeente Maastricht. Al zullen de bedenkers dat uiteraard betwisten.
Vanaf september 2007 moet een achttal festivals, pakweg om de maand à anderhalve maand geprogrammeerd, Maastricht op de cultuurkaart zetten. “De identiteit van Maastricht uittekenen, noemt Wevers dat. Het gaat dan om evenementen als Musica Sacra, de Nederlandse Dansdagen, een festival dat nauw gelieerd is aan Winterland, een nieuw toneelfestival, Jazz Maastricht tijdens de Tefaf en een groot jeugdfestival.
Verrassend en vernieuwend is het nauwelijks, of het ten opzichte van andere steden onderscheidend genoeg is, mag worden betwijfeld. Er komt iets meer structuur in, dat wel. Een verdienste van Wevers, dat ook. Maar vooral niet te veel partijen voor het hoofd stoten, lijkt op dit moment het motto. Laten blijken dat iedereen die iets voorstelt in Maastricht serieus wordt genomen.
Niet te radicaal, niet te gek, niet te vooruitstrevend. Op die manier lukt het nooit om het ingedutte beleid dat citymarketing heet weer smoel te geven.
Tot verdriet van de mensen die dit beleid achter de schermen professioneel vorm en richting proberen te geven. Ook al konden ze misschien in eerste instantie nog lachen om de carnavalsspeech van ‘oppertoeker’ Janssen, de gevolgen zijn funest. Niemand in de stad spreekt nog over citymarketing, maar over het met een negatieve connotatie gepaard gaande shitty marketing.
Maar laten we eerlijk zijn. Janssen heeft niks misdaan. Had hij soms ongelijk dat hij Leers en de zijnen verweet dat de tiende boog (de onderdoorgang van de Servaasbrug die in oude glorie wordt hersteld om een wandelpromenade mogelijk te maken) een regelrechte aanfluiting is omdat toeristen en Maastrichtenaren al ruim twee jaar kampen met de gevolgen van een opgebroken brug?
Nee, zeker niet, want een slechtere reclame bestaat bijna niet. Die vreselijk lelijke houten noodbrug is het tegenovergestelde van alles wat citymarketing betoogt te zijn. Terecht vroeg zich Janssen zich dus met een knipoog af wat precies het effect is van dat beleid. Een vraag die je zo langzamerhand serieus moet opwerpen.
Met trillende knieën zitten de citymarketeers achter de schrijftafel. Alles wat ze vanaf nu bedenken moet wel héél goed zijn om de Maastrichtenaar die shitty marketing in zijn hoofd heeft zitten, nog op andere gedachten te brengen. Tot op heden is het verhaal erachter te zwak en onduidelijk gebleken. Zie het al eerder gememoreerde misverstand over cultuur.
Het ‘nieuws’ waar Theaterdirecteur Guido Wevers deze week mee naar buiten kwam, moet dan ook vooral gezien worden als een handreiking naar de Maastrichtse cultuurwereld en niet zo zeer als volgende stap in het citymarketingplan van de gemeente Maastricht. Al zullen de bedenkers dat uiteraard betwisten.
Vanaf september 2007 moet een achttal festivals, pakweg om de maand à anderhalve maand geprogrammeerd, Maastricht op de cultuurkaart zetten. “De identiteit van Maastricht uittekenen, noemt Wevers dat. Het gaat dan om evenementen als Musica Sacra, de Nederlandse Dansdagen, een festival dat nauw gelieerd is aan Winterland, een nieuw toneelfestival, Jazz Maastricht tijdens de Tefaf en een groot jeugdfestival.
Verrassend en vernieuwend is het nauwelijks, of het ten opzichte van andere steden onderscheidend genoeg is, mag worden betwijfeld. Er komt iets meer structuur in, dat wel. Een verdienste van Wevers, dat ook. Maar vooral niet te veel partijen voor het hoofd stoten, lijkt op dit moment het motto. Laten blijken dat iedereen die iets voorstelt in Maastricht serieus wordt genomen.
Niet te radicaal, niet te gek, niet te vooruitstrevend. Op die manier lukt het nooit om het ingedutte beleid dat citymarketing heet weer smoel te geven.
zondag, februari 11, 2007
11 02 07 | Europees
Voor mij ligt een 220 pagina’s tellend rood boek, met in grote witte letters: Maastricht, het verdrag/the treaty. Het is een jubileumboek, geschreven door Joost P. van den Akker, in opdracht van de gemeente Maastricht. In een oplage van 4000 exemplaren verschenen als relatiegeschenk, in het kader van de viering van 15 jaar Verdrag van Maastricht.
Dat werd op 7 februari 1992 door regeringsleiders als Helmut Kohl, John Major en Ruud Lubbers gesloten in het provinciehuis. Een historisch moment. Vele jaren later goed voor een enorme – en nogal overdreven - publiciteitscampagne, onder aanvoering van burgemeester Gerd Leers en zijn ‘programmamanager Maastricht-Europe’, Ton Wanders.
Leers vloog zelfs naar Rome om bij het ministerie van Buitenlandse Zaken het originele verdrag persoonlijk op te halen. Voor eventjes maar: het wordt tot en met eind deze week tentoongesteld in de Hoofdwacht op het Vrijthof. Wanders is de trotse ‘opdrachtverlener’ voor het boek, dat aan de vele genodigden werd uitgereikt tijdens de festiviteiten op 7 februari 2007 in het stadhuis en het gouvernement.
In het voorwoord schrijft burgemeester Leers: “Maastricht is een Europese stad. Dat heeft niet alleen te maken met de multinationale historie en de ligging. De stad ligt immers ingeklemd tussen België en Duitsland en op korte afstand van Frankrijk en Luxemburg. Het heeft vooral ook te maken met het huidige internationale profiel van Maastricht. De Limburgse hoofdstad is tegenwoordig de zetel voor meer dan honderd internationaal opererende bedrijven en instituten, waarvan er diverse nauw gelieerd zijn aan de Europese Unie en de Verenigde Naties. Bovendien zullen we ons als Euregionale centrumstad in de toekomst nog meer op Europa gaan richten”.
Allemaal prachtig. Maar het draait om die laatste zin. De vraag is: hoe dan? Daar lees ik in het jubileumboek niets over. Ik vraag me af hoeveel Maastrichtenaren op de vraag ‘voelt u zich Europeaan?’ ja zullen zeggen. Ik ben bang dat het er niet veel zijn. Daar is Maastricht een te ‘gesloten’ en naar ‘binnen gerichte’ stad voor. Hoe maak je zo’n stad warm voor de ver van mijn bed-show die Europa heet?
Maastricht celebrates Europe, zoals het programma is gedoopt en dit jaar nog een aantal ‘hoogtepunten’ kent, is toch vooral een feestje bedacht door overijverige ambtenaren die vooral roepen dat Europa zo geweldig is en in Maastricht is geboren. Of, zoals Leers het zegt: “Het wereldberoemde verdrag heeft de stad dan ook een klinkende naam bezorgd”. Dat zal best. Maar is het onder zware bewaking laten zien van zo’n verdrag in de Hoofdwacht genoeg om de gemiddelde Maastrichtenaar een open houding aan te laten nemen ten opzicht van Europa?
Je in de toekomst nog meer richten op Europa. Hoe doe je dat? Interessante vraag. Moeizaam antwoord. In het citymarketingprogramma is ‘Europese stad’ een van de pijlers. In een notitie voor citymarketing staat: “Maastricht is een heel Nederlandse stad met knellende grenzen. Investeer in taalonderwijs. Breng het Frans en Duits terug (naast Engels) op de lagere school en laat daarmee zien dat je een echt Europese stad bent. Bovendien: goed taalonderwijs is een vestigingsfactor voor jonge gezinnen. De stad met zich daarnaast focussen op Brussel: het voorstad-idee, snelle verbindingen”.
De universiteit zou een veel belangrijkere rol dan nu moeten spelen als key player. Het is, als geen andere instelling in Maastricht, een ‘Europees symbool’. De opleidingen trekken studenten uit heel Europa aan. Bovendien zijn er samenwerkingsverbanden met tientallen buitenlandse universiteiten, van Leuven tot Florence en van Londen tot Sydney.
Interessante debatten, lezingen en maatschappelijke discussies onttrekken zich veelal aan het gezichtsveld van de Maastrichtenaar, omdat zij niet tot de doelgroep worden gerekend. Maar waarom zou je zulke activiteiten niet openstellen voor geïnteresseerde inwoners van Maastricht? Kennis delen en uitwisselen, ervoor zorgen dat dergelijke relevante thema’s worden verspreid. Pas dan ben je optimaal zichtbaar.
Maastricht is voor mij waarlijk een Europese stad. Het verdient aanbeveling een reclamefolder voor toeristen, zakenmensen én Maastrichtenaren te laten maken van alle vliegvelden in de buurt. Dat wil zeggen: op maximaal anderhalf uur rijden. Dan laat je pas echt zien dat Europa vanuit Maastricht dichterbij is dan ooit.
Vanaf Charleroi/Brussel-Zuid, Zaventem Brussel, Eindhoven, Weeze, Düsseldorf, Keulen-Bonn en Luik vlieg je tegenwoordig overal heen. En vaak nog goedkoop ook. Kom daar in de Randstad maar eens om! Dat Maastricht Aachen Airport in dat kader eigenlijk bar weinig voorstelt met straks Ryanair (naar Girona-Barcelona) als enige prijsvechter, ach, dat maakt Maastricht niet minder Europees. Whatever that means…
Dat werd op 7 februari 1992 door regeringsleiders als Helmut Kohl, John Major en Ruud Lubbers gesloten in het provinciehuis. Een historisch moment. Vele jaren later goed voor een enorme – en nogal overdreven - publiciteitscampagne, onder aanvoering van burgemeester Gerd Leers en zijn ‘programmamanager Maastricht-Europe’, Ton Wanders.
Leers vloog zelfs naar Rome om bij het ministerie van Buitenlandse Zaken het originele verdrag persoonlijk op te halen. Voor eventjes maar: het wordt tot en met eind deze week tentoongesteld in de Hoofdwacht op het Vrijthof. Wanders is de trotse ‘opdrachtverlener’ voor het boek, dat aan de vele genodigden werd uitgereikt tijdens de festiviteiten op 7 februari 2007 in het stadhuis en het gouvernement.
In het voorwoord schrijft burgemeester Leers: “Maastricht is een Europese stad. Dat heeft niet alleen te maken met de multinationale historie en de ligging. De stad ligt immers ingeklemd tussen België en Duitsland en op korte afstand van Frankrijk en Luxemburg. Het heeft vooral ook te maken met het huidige internationale profiel van Maastricht. De Limburgse hoofdstad is tegenwoordig de zetel voor meer dan honderd internationaal opererende bedrijven en instituten, waarvan er diverse nauw gelieerd zijn aan de Europese Unie en de Verenigde Naties. Bovendien zullen we ons als Euregionale centrumstad in de toekomst nog meer op Europa gaan richten”.
Allemaal prachtig. Maar het draait om die laatste zin. De vraag is: hoe dan? Daar lees ik in het jubileumboek niets over. Ik vraag me af hoeveel Maastrichtenaren op de vraag ‘voelt u zich Europeaan?’ ja zullen zeggen. Ik ben bang dat het er niet veel zijn. Daar is Maastricht een te ‘gesloten’ en naar ‘binnen gerichte’ stad voor. Hoe maak je zo’n stad warm voor de ver van mijn bed-show die Europa heet?
Maastricht celebrates Europe, zoals het programma is gedoopt en dit jaar nog een aantal ‘hoogtepunten’ kent, is toch vooral een feestje bedacht door overijverige ambtenaren die vooral roepen dat Europa zo geweldig is en in Maastricht is geboren. Of, zoals Leers het zegt: “Het wereldberoemde verdrag heeft de stad dan ook een klinkende naam bezorgd”. Dat zal best. Maar is het onder zware bewaking laten zien van zo’n verdrag in de Hoofdwacht genoeg om de gemiddelde Maastrichtenaar een open houding aan te laten nemen ten opzicht van Europa?
Je in de toekomst nog meer richten op Europa. Hoe doe je dat? Interessante vraag. Moeizaam antwoord. In het citymarketingprogramma is ‘Europese stad’ een van de pijlers. In een notitie voor citymarketing staat: “Maastricht is een heel Nederlandse stad met knellende grenzen. Investeer in taalonderwijs. Breng het Frans en Duits terug (naast Engels) op de lagere school en laat daarmee zien dat je een echt Europese stad bent. Bovendien: goed taalonderwijs is een vestigingsfactor voor jonge gezinnen. De stad met zich daarnaast focussen op Brussel: het voorstad-idee, snelle verbindingen”.
De universiteit zou een veel belangrijkere rol dan nu moeten spelen als key player. Het is, als geen andere instelling in Maastricht, een ‘Europees symbool’. De opleidingen trekken studenten uit heel Europa aan. Bovendien zijn er samenwerkingsverbanden met tientallen buitenlandse universiteiten, van Leuven tot Florence en van Londen tot Sydney.
Interessante debatten, lezingen en maatschappelijke discussies onttrekken zich veelal aan het gezichtsveld van de Maastrichtenaar, omdat zij niet tot de doelgroep worden gerekend. Maar waarom zou je zulke activiteiten niet openstellen voor geïnteresseerde inwoners van Maastricht? Kennis delen en uitwisselen, ervoor zorgen dat dergelijke relevante thema’s worden verspreid. Pas dan ben je optimaal zichtbaar.
Maastricht is voor mij waarlijk een Europese stad. Het verdient aanbeveling een reclamefolder voor toeristen, zakenmensen én Maastrichtenaren te laten maken van alle vliegvelden in de buurt. Dat wil zeggen: op maximaal anderhalf uur rijden. Dan laat je pas echt zien dat Europa vanuit Maastricht dichterbij is dan ooit.
Vanaf Charleroi/Brussel-Zuid, Zaventem Brussel, Eindhoven, Weeze, Düsseldorf, Keulen-Bonn en Luik vlieg je tegenwoordig overal heen. En vaak nog goedkoop ook. Kom daar in de Randstad maar eens om! Dat Maastricht Aachen Airport in dat kader eigenlijk bar weinig voorstelt met straks Ryanair (naar Girona-Barcelona) als enige prijsvechter, ach, dat maakt Maastricht niet minder Europees. Whatever that means…
zondag, januari 14, 2007
14 01 07 | Sexy...
Toen Ruud Gullit in 1996 trainer-speler werd bij de in verval geraakte topclub Chelsea uit Londen introduceerde hij ‘sexy football’. Prachtig begrip natuurlijk, nog nooit eerder gehoord, dus voer voor de media. Binnen de kortste keren ging deze tot de verbeelding sprekende uitspraak de wereld over.
Let wel, onder leiding van Gullit was er nog geen bal getrapt. Maar een diep verlangen was aangewakkerd. In het land van kick and rush droomde iedereen plotseling van sexy voetbal, een mooie belofte van de man die groot werd met het flitsende en aantrekkelijk Hollandse combinatievoetbal.
Maastricht, zondag 7 januari. Tijdens een door de PvdA georganiseerd cultuurdebat in café Ipanema toont Theater aan het Vrijthof-directeur Guido Wevers zich zoals altijd een bevlogen spreker. Ik heb die middag in mijn notitieblok als volgt samengevat: tussen Berlijn en Bilbao ligt Maastricht…
Wevers zegt dat Maastricht natuurlijk geen Bilbao is, waar het door architect Frank Gehry ontworpen Guggenheim-museum een toeristische trekpleister van jewelste is. Zoiets is hier nauwelijks mogelijk, en misschien moet je dat ook niet willen. En natuurlijk is Maastricht ook geen Berlijn. Maar het bruisende culturele klimaat van de Duitse hoofdstad kan wel als voorbeeld dienen. Bepaalde elementen zou je in Maastricht met een beetje goede wil kunnen injecteren.
Tussen Berlijn en Bilbao ligt Maastricht… Het is een interpretatie die volgens mij veel zegt over hoe Maastricht zich op cultureel gebied profileert. De discussie die bij tijd en wijle oplaait heeft immer een hoog abstractieniveau. Deze stad weet niet welke richting het op wil. De verworvenheden worden gekoesterd, ruimte voor echte vernieuwing is er niet of nauwelijks.
Cultuur in Maastricht moet sexy worden, zegt Wevers aan het einde van zijn betoog. Hij houdt zijn publiek weer de bekende worst voor: Maastricht moet er alles aan doen om culturele hoofdstad van Europa te worden. Cultuur in Maastricht sexy? Sorry, ik kan me nauwelijks voorstellen dat deze stad de juiste mentaliteit, dynamiek en creatieve power heeft die nodig is om de grote ommekeer in te luiden. En zelfs dan is er een reuzensprong nodig om van ‘sexy’ te kunnen spreken.
De nieuwsweek die volgt staat in het teken van, jawel, culturele hoofdstad van Europa. Cultuurwethouder Jean Jacobs vertelt mij in een kort gesprek dat Maastricht misschien de ambities maar eens moet verleggen. Wachten op Luik, om in 2012 samen een gooi naar die prestigieuze titel te doen, is niet meer echt realistisch. Daarvoor is de tijd waarschijnlijk te kort. Maastricht kan het in 2018 – als Nederland samen met Malta weer een culturele hoofdstad mag leveren – ook alleen proberen.
Een dag nadat het artikel ‘Culturele hoofdstad zonder Luik’ in Dagblad De Limburger heeft gestaan, schrijf ik een commentaar waarin staat dat de uitgesproken ambitie natuurlijk prachtig is, maar als je de culturele ‘puinhoop’ overziet eerder klinkt als een grap.
In Maastricht wordt nog altijd gepraat over hoe hoog de subsidie van Het Parcours – de opening van het culturele seizoen – moet zijn, het Bonnefantenmuseum slaagt er maar niet in aansprekende publiekvoorstellingen te organiseren en het eigen belang van al die culturele instellingen prevaleert nog altijd boven het algemeen belang. Samenwerken? Ho maar.
Maastricht, 14 januari 2007. De mensen die cultuur in Maastricht sexy moeten maken slaan elkaar op de schouders tijdens de druk bezochte nieuwjaarsreceptie, georganiseerd door Centrum voor contemporaine cultuur Marres, NAi Maastricht, Bonnefantenmuseum, Jan van Eyckacademie en de Academie Beeldenkunsten. Locatie: het gebouw van Marres.
Een aantal gasten, onder wie ikzelf, zijn gevraagd als speeddate-partner. Aan de hand van een stelling kunnen bezoekers met ons in discussie. Leuk idee, maar nieuwe inzichten levert het niet op. Mijn stelling ‘het huidige culturele klimaat in Maastricht is geen goede basis voor de organisatie voor een door velen gekoesterde wens: Maastricht als culturele hoofdstad van Europa’ wordt veelal gedeeld.
Het culturele veld lijkt ingedut bij gebrek aan nieuwe prikkels en een stevige uitdaging. Een van de gesprekspartners, beeldend kunstenaar Maarten van den Berg, maakt me met veel passie duidelijk dat culturele hoofdstad worden zo’n uitdaging is, maar dan moet er wel vaart worden gemaakt. “Zonder een gezamenlijk doel zal die noodzakelijke samenwerking ook niet snel van de grond komen.”
Ik bespeur veel goede wil en je maakt mij niet wijs dat er geen ideeën zijn. PvdA-raadslid Wiel Rousseau vindt dat er snel een werkgroep moet komen die in rap tempo gaat bepalen wat er nodig is voor een Maastrichtse kandidatuur. “De provincie heeft miljoenen toegezegd, die moeten we snel binnenhalen. Haast is geboden.” Binnen een half jaar à een jaar moet duidelijk zijn of Maastricht Culturele Hoofdstad van Europa wil worden.
En met wie? Luik is nog steeds een optie. Aken ook, maar die stad zit financieel krap bij kas. En een samenwerking met Sittard en Heerlen wordt door cultuurwethouder Jacobs ook nog niet uitgesloten.
Maar in de gangen van het Marres-gebouw hoor ik een aantal mensen denigrerend doen als het gaat over een partnerschap met Heerlen. Er wordt een beetje hooghartig gelachen over de opvatting dat Heerlen hard aan de weg timmert en Maastricht misschien wel voorbij streeft als cultuurstad. Je ziet ze denken: kom nou, Maastricht, dat is toch waar het gebeurt?! Zo’n houding is natuurlijk dodelijk, en maakt van het streven naar vooruitgang een uiterst stroperig proces.
Let wel, onder leiding van Gullit was er nog geen bal getrapt. Maar een diep verlangen was aangewakkerd. In het land van kick and rush droomde iedereen plotseling van sexy voetbal, een mooie belofte van de man die groot werd met het flitsende en aantrekkelijk Hollandse combinatievoetbal.
Maastricht, zondag 7 januari. Tijdens een door de PvdA georganiseerd cultuurdebat in café Ipanema toont Theater aan het Vrijthof-directeur Guido Wevers zich zoals altijd een bevlogen spreker. Ik heb die middag in mijn notitieblok als volgt samengevat: tussen Berlijn en Bilbao ligt Maastricht…
Wevers zegt dat Maastricht natuurlijk geen Bilbao is, waar het door architect Frank Gehry ontworpen Guggenheim-museum een toeristische trekpleister van jewelste is. Zoiets is hier nauwelijks mogelijk, en misschien moet je dat ook niet willen. En natuurlijk is Maastricht ook geen Berlijn. Maar het bruisende culturele klimaat van de Duitse hoofdstad kan wel als voorbeeld dienen. Bepaalde elementen zou je in Maastricht met een beetje goede wil kunnen injecteren.
Tussen Berlijn en Bilbao ligt Maastricht… Het is een interpretatie die volgens mij veel zegt over hoe Maastricht zich op cultureel gebied profileert. De discussie die bij tijd en wijle oplaait heeft immer een hoog abstractieniveau. Deze stad weet niet welke richting het op wil. De verworvenheden worden gekoesterd, ruimte voor echte vernieuwing is er niet of nauwelijks.
Cultuur in Maastricht moet sexy worden, zegt Wevers aan het einde van zijn betoog. Hij houdt zijn publiek weer de bekende worst voor: Maastricht moet er alles aan doen om culturele hoofdstad van Europa te worden. Cultuur in Maastricht sexy? Sorry, ik kan me nauwelijks voorstellen dat deze stad de juiste mentaliteit, dynamiek en creatieve power heeft die nodig is om de grote ommekeer in te luiden. En zelfs dan is er een reuzensprong nodig om van ‘sexy’ te kunnen spreken.
De nieuwsweek die volgt staat in het teken van, jawel, culturele hoofdstad van Europa. Cultuurwethouder Jean Jacobs vertelt mij in een kort gesprek dat Maastricht misschien de ambities maar eens moet verleggen. Wachten op Luik, om in 2012 samen een gooi naar die prestigieuze titel te doen, is niet meer echt realistisch. Daarvoor is de tijd waarschijnlijk te kort. Maastricht kan het in 2018 – als Nederland samen met Malta weer een culturele hoofdstad mag leveren – ook alleen proberen.
Een dag nadat het artikel ‘Culturele hoofdstad zonder Luik’ in Dagblad De Limburger heeft gestaan, schrijf ik een commentaar waarin staat dat de uitgesproken ambitie natuurlijk prachtig is, maar als je de culturele ‘puinhoop’ overziet eerder klinkt als een grap.
In Maastricht wordt nog altijd gepraat over hoe hoog de subsidie van Het Parcours – de opening van het culturele seizoen – moet zijn, het Bonnefantenmuseum slaagt er maar niet in aansprekende publiekvoorstellingen te organiseren en het eigen belang van al die culturele instellingen prevaleert nog altijd boven het algemeen belang. Samenwerken? Ho maar.
Maastricht, 14 januari 2007. De mensen die cultuur in Maastricht sexy moeten maken slaan elkaar op de schouders tijdens de druk bezochte nieuwjaarsreceptie, georganiseerd door Centrum voor contemporaine cultuur Marres, NAi Maastricht, Bonnefantenmuseum, Jan van Eyckacademie en de Academie Beeldenkunsten. Locatie: het gebouw van Marres.
Een aantal gasten, onder wie ikzelf, zijn gevraagd als speeddate-partner. Aan de hand van een stelling kunnen bezoekers met ons in discussie. Leuk idee, maar nieuwe inzichten levert het niet op. Mijn stelling ‘het huidige culturele klimaat in Maastricht is geen goede basis voor de organisatie voor een door velen gekoesterde wens: Maastricht als culturele hoofdstad van Europa’ wordt veelal gedeeld.
Het culturele veld lijkt ingedut bij gebrek aan nieuwe prikkels en een stevige uitdaging. Een van de gesprekspartners, beeldend kunstenaar Maarten van den Berg, maakt me met veel passie duidelijk dat culturele hoofdstad worden zo’n uitdaging is, maar dan moet er wel vaart worden gemaakt. “Zonder een gezamenlijk doel zal die noodzakelijke samenwerking ook niet snel van de grond komen.”
Ik bespeur veel goede wil en je maakt mij niet wijs dat er geen ideeën zijn. PvdA-raadslid Wiel Rousseau vindt dat er snel een werkgroep moet komen die in rap tempo gaat bepalen wat er nodig is voor een Maastrichtse kandidatuur. “De provincie heeft miljoenen toegezegd, die moeten we snel binnenhalen. Haast is geboden.” Binnen een half jaar à een jaar moet duidelijk zijn of Maastricht Culturele Hoofdstad van Europa wil worden.
En met wie? Luik is nog steeds een optie. Aken ook, maar die stad zit financieel krap bij kas. En een samenwerking met Sittard en Heerlen wordt door cultuurwethouder Jacobs ook nog niet uitgesloten.
Maar in de gangen van het Marres-gebouw hoor ik een aantal mensen denigrerend doen als het gaat over een partnerschap met Heerlen. Er wordt een beetje hooghartig gelachen over de opvatting dat Heerlen hard aan de weg timmert en Maastricht misschien wel voorbij streeft als cultuurstad. Je ziet ze denken: kom nou, Maastricht, dat is toch waar het gebeurt?! Zo’n houding is natuurlijk dodelijk, en maakt van het streven naar vooruitgang een uiterst stroperig proces.
zondag, december 24, 2006
24 12 06 | (On) bereikbaar
Maastricht, dat gun je jezelf. Het is de slogan van de VVV die inmiddels ver over de houdbaarheidsdatum heen is en dezer dagen op de lachspieren werkt als we het hebben over de bereikbaarheid van de stad.
Ja, het is waar, vanuit Maastricht kunnen we sinds op 10 december de nieuwe dienstregeling van de NS is ingegaan twee keer per uur naar de Randstad (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht) met de trein, en vice versa. Dat was één keer per zestig minuten. En ja, de Maastricht-Brusselexpress brengt de reiziger nu twaalf keer per dag naar Brussel, en andersom.
Prachtige reclame voor de stad, zou je denken. Dat is het in principe natuurlijk ook. Maar als het gaat om de bereikbaarheid van de stad wordt er wat afgescholden. Als ik de aanhoudende stroom klachten mag geloven, slaagt Veolia (de opvolger van Hermes) er nog steeds niet in bussen op tijd of via de juiste route te laten rijden. Het personeel heeft behoorlijk last van stress en als je een beetje pech hebt komt de bus helemaal niet…
Hoezo bereikbare stad? Maastricht slipt in sneltreinvaart dicht. Het probleem openbaart zich deze feestmaand in volle hevigheid. Ik zie het vrijwel elke dag vanuit het raam van het Dagblad De Limburger-kantoor aan Het Bat. Het is een vertrouwd beeld: file op de Maasboulevard, tientallen automobilisten willen de Onze Lieve Vrouweparkeergarage in, maar het blauwe verkeersbord geeft ‘vol’ aan. Toch draait niemand om.
Op donderdagavond en koopzondag (deze maand is het élke maand koopzondag) is het werkelijk waanzin. Een vrije parkeerplaats vinden is dan onmogelijk. Een half uur of een uur in de file wachtend voor een garage staan is kennelijk normaal. En het lijkt het wel alsof bezoekers (vraag: hoeveel Maastrichtenaren nemen werkelijk de fiets of het openbaar vervoer naar de stad?) het er allemaal voor over hebben. Iedereen wil zo dicht mogelijk bij de winkels parkeren.
Mensen - niet alleen inwoners, maar ook toeristen - maken het probleem, maar schuiven dat probleem vervolgens in de schoenen van stad en de stad mag het oplossen. Hoe dat gaat? Verkeerswethouder Wim Hazeu van GroenLinks lanceert een concept parkeernota, die volgend jaar in de raad wordt behandeld, waarin staat dat betaald parkeren wordt uitgebreid: bezoekers betalen voortaan dagelijks ook tussen 18.00 en 21.00 uur en elke zondag tussen 12.00 en 17.00 uur. Juist ja, noem het maar een ontmoedigingsbeleid.
Hij heeft het geweten. Op de redactie werden wij bedolven onder de brieven en boze reacties van lezers. Dat belooft nog wat. Immers, donkere wolken hangen boven Maastricht. Als in 2009 wordt begonnen met de aanleg van de A2-tunnel dreigt een serieus verkeersinfarct. Dat is tenminste de grote vrees van de Maastrichtenaren, kenners beweren het tegendeel. Zij zeggen dat de stad juist béter bereikbaar wordt.
Maar er is uiteraard niemand die dat wil geloven. Het stadsbestuur – Hazeu voorop – kan doen wat het wil. Deze week werd aangekondigd dat parkeerbedrijf Q-Park begin 2007 vier parkeerterreinen aan de rand van de binnenstad gaat uitbreiden en verbeteren. Het gaat om de Cabergerweg, de voormalige fietsenstalling aan de noordkant van het station en de parkeerplaatsen onder de Kennedybrug en de Noorderbrug. Ze krijgen de naam ‘Park + Walk’ en omvatten samen 1500 plaatsen.
Een dagtarief van 4,70 per dag moet in eerste instantie dagjesmensen, toeristen en forensen aantrekken en, zo is de hoop, de druk van de binnenstad afhalen. Of dat lukt? Maastricht heeft voorlopig de schijn tegen. De mannen van de citymarketing liggen daar best wel eens wakker van. Als dit probleem namelijk niet wordt opgelost, heeft het namelijk geen enkele zin mooie praatjes te houden over Maastricht als Bourgondische, Europese of winkelstad. Dan blijft vooral dat imago van ‘onbereikbare stad’ hangen in de hoofden van mensen. Daar kan geen positieve reclamecampagne tegen op.
Ja, het is waar, vanuit Maastricht kunnen we sinds op 10 december de nieuwe dienstregeling van de NS is ingegaan twee keer per uur naar de Randstad (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht) met de trein, en vice versa. Dat was één keer per zestig minuten. En ja, de Maastricht-Brusselexpress brengt de reiziger nu twaalf keer per dag naar Brussel, en andersom.
Prachtige reclame voor de stad, zou je denken. Dat is het in principe natuurlijk ook. Maar als het gaat om de bereikbaarheid van de stad wordt er wat afgescholden. Als ik de aanhoudende stroom klachten mag geloven, slaagt Veolia (de opvolger van Hermes) er nog steeds niet in bussen op tijd of via de juiste route te laten rijden. Het personeel heeft behoorlijk last van stress en als je een beetje pech hebt komt de bus helemaal niet…
Hoezo bereikbare stad? Maastricht slipt in sneltreinvaart dicht. Het probleem openbaart zich deze feestmaand in volle hevigheid. Ik zie het vrijwel elke dag vanuit het raam van het Dagblad De Limburger-kantoor aan Het Bat. Het is een vertrouwd beeld: file op de Maasboulevard, tientallen automobilisten willen de Onze Lieve Vrouweparkeergarage in, maar het blauwe verkeersbord geeft ‘vol’ aan. Toch draait niemand om.
Op donderdagavond en koopzondag (deze maand is het élke maand koopzondag) is het werkelijk waanzin. Een vrije parkeerplaats vinden is dan onmogelijk. Een half uur of een uur in de file wachtend voor een garage staan is kennelijk normaal. En het lijkt het wel alsof bezoekers (vraag: hoeveel Maastrichtenaren nemen werkelijk de fiets of het openbaar vervoer naar de stad?) het er allemaal voor over hebben. Iedereen wil zo dicht mogelijk bij de winkels parkeren.
Mensen - niet alleen inwoners, maar ook toeristen - maken het probleem, maar schuiven dat probleem vervolgens in de schoenen van stad en de stad mag het oplossen. Hoe dat gaat? Verkeerswethouder Wim Hazeu van GroenLinks lanceert een concept parkeernota, die volgend jaar in de raad wordt behandeld, waarin staat dat betaald parkeren wordt uitgebreid: bezoekers betalen voortaan dagelijks ook tussen 18.00 en 21.00 uur en elke zondag tussen 12.00 en 17.00 uur. Juist ja, noem het maar een ontmoedigingsbeleid.
Hij heeft het geweten. Op de redactie werden wij bedolven onder de brieven en boze reacties van lezers. Dat belooft nog wat. Immers, donkere wolken hangen boven Maastricht. Als in 2009 wordt begonnen met de aanleg van de A2-tunnel dreigt een serieus verkeersinfarct. Dat is tenminste de grote vrees van de Maastrichtenaren, kenners beweren het tegendeel. Zij zeggen dat de stad juist béter bereikbaar wordt.
Maar er is uiteraard niemand die dat wil geloven. Het stadsbestuur – Hazeu voorop – kan doen wat het wil. Deze week werd aangekondigd dat parkeerbedrijf Q-Park begin 2007 vier parkeerterreinen aan de rand van de binnenstad gaat uitbreiden en verbeteren. Het gaat om de Cabergerweg, de voormalige fietsenstalling aan de noordkant van het station en de parkeerplaatsen onder de Kennedybrug en de Noorderbrug. Ze krijgen de naam ‘Park + Walk’ en omvatten samen 1500 plaatsen.
Een dagtarief van 4,70 per dag moet in eerste instantie dagjesmensen, toeristen en forensen aantrekken en, zo is de hoop, de druk van de binnenstad afhalen. Of dat lukt? Maastricht heeft voorlopig de schijn tegen. De mannen van de citymarketing liggen daar best wel eens wakker van. Als dit probleem namelijk niet wordt opgelost, heeft het namelijk geen enkele zin mooie praatjes te houden over Maastricht als Bourgondische, Europese of winkelstad. Dan blijft vooral dat imago van ‘onbereikbare stad’ hangen in de hoofden van mensen. Daar kan geen positieve reclamecampagne tegen op.
dinsdag, december 05, 2006
05 12 06 | Mirakel
Het heet ‘onze’ concurrent te zijn. Immers, de gratis stadskrant De Ster doet in Maastricht wekelijks een dappere poging Dagblad De Limburger een stapje voor te zijn. Soms lukt dat, gelukkig meestal niet. Maar ach, een beetje strijd is gezond en de verstandhouding met de redacteuren van De Ster is verder prima.
En zoals gezegd, ze publiceren af en toe best interessante verhalen. Werd deze week aangenaam verrast door een productie onder de noemer ‘Mirakel van Maastricht’. Juist ja, een onderwerp waar dit weblog al een tijdje over bericht. De essentie van het verhaal, opgetekend uit de monden van zogenaamde stedelijke pioniers als oud-burgemeester Philip Houben, ondernemer Camille Oostwegel en Vesteda-directievoorzitter Huub Smeets: nu doorpakken, Maastricht mag geen museum worden.
In de bijlage komt een zevental Maastricht-kenners aan het woord. Ik heb het afgelopen weekend een aantal - in mijn visie - aardige uitspraken onderstreept die in ieder geval aanzetten tot nadenken. Zo zegt Benoit Wesly: “Maastricht moet een tweede theater krijgen met topvoorstellingen.”
Vesteda-directievoorzitter Huub Smeets heeft een andere suggestie, ook het gebied van cultuur. Opmerkelijk, omdat de mensen die het citymarketingplan voor de stad vormgeven vinden dat Maastricht als cultuurstad niet onderscheidend genoeg is waardoor het in de nabije toekomst ook geen prioriteit heeft. “Ik zou willen pleiten voor een accommodatie voor Europese verzamelaars. Dat zou prima kunnen in Belvédère.”
En tot slot, Louis Prompers, directeur van het A2-projectbureau. “Ik denk dat Maastricht nog kan groeien met 10.000 inwoners en 10.000 arbeiders, dan is het op. Maastricht heeft als woonstad nog enorme kansen.”
En zoals gezegd, ze publiceren af en toe best interessante verhalen. Werd deze week aangenaam verrast door een productie onder de noemer ‘Mirakel van Maastricht’. Juist ja, een onderwerp waar dit weblog al een tijdje over bericht. De essentie van het verhaal, opgetekend uit de monden van zogenaamde stedelijke pioniers als oud-burgemeester Philip Houben, ondernemer Camille Oostwegel en Vesteda-directievoorzitter Huub Smeets: nu doorpakken, Maastricht mag geen museum worden.
In de bijlage komt een zevental Maastricht-kenners aan het woord. Ik heb het afgelopen weekend een aantal - in mijn visie - aardige uitspraken onderstreept die in ieder geval aanzetten tot nadenken. Zo zegt Benoit Wesly: “Maastricht moet een tweede theater krijgen met topvoorstellingen.”
Vesteda-directievoorzitter Huub Smeets heeft een andere suggestie, ook het gebied van cultuur. Opmerkelijk, omdat de mensen die het citymarketingplan voor de stad vormgeven vinden dat Maastricht als cultuurstad niet onderscheidend genoeg is waardoor het in de nabije toekomst ook geen prioriteit heeft. “Ik zou willen pleiten voor een accommodatie voor Europese verzamelaars. Dat zou prima kunnen in Belvédère.”
En tot slot, Louis Prompers, directeur van het A2-projectbureau. “Ik denk dat Maastricht nog kan groeien met 10.000 inwoners en 10.000 arbeiders, dan is het op. Maastricht heeft als woonstad nog enorme kansen.”
maandag, november 20, 2006
20 11 06 | Stiefkindje
De Griend is een hopeloos stukje Maastricht. Een stiefkindje. Het ligt ingesloten tussen Maas, Wilhelminabrug en Franciscus Romanusweg. De Platte Zaol – tegenwoordig Maastricht Music Hall gedoopt – wil maar niet bruisen, de aangelegde groenstrook boven de parkeergarage is de naam ‘park’ niet waardig en de beloofde skatebaan voor de jeugd laat op zich wachten.
De Griend is sfeerloos, inspiratieloos, karakterloos. De Luikse architecten Stéphane Caprasse en Jean-Christophe Culot reisden op een zondagmiddag af naar Maastricht. Om drie uur ’s middags maakten ze een wandeling over De Griend. Het was prachtig weer, maar ze kwamen – letterlijk – geen hond tegen. Woningstichting Servatius vroeg het duo, samen met drie andere talentvolle, veelal jonge architecten, mee te doen aan de prijsvraag Mosae Ponte: het ontwikkelen van vernieuwende ideeën voor de invulling van de open plekken aan de oostzijde van de brug, het gebied rondom de Griend en de Ridderbrouwerij. De oorspronkelijke plannen, daterend van december 2004, dreigden immers in vergetelheid te raken. Een vakjury met, onder andere Servatius-directeur Leks Verzijlbergh en beeldend kunstenaar Caius Spronken, maakte vanavond tijdens het zeer druk bezochte TOPOS-architectuurcafé in Ipanema de winnaar bekend.
Caprasse en Culot wonnen niet, al vond de jury hun stedenbouwkundig ontwerp ‘top’. Zij kozen ervoor, net als de andere ‘verliezers’ Peter Vandenboorn en Raymond Haenen van Huiswerk architecten uit Maastricht en Paul van Well uit Amsterdam, De Griend te bebouwen. In de visie van Huiswerk architecten moet het gebied een dynamische en vooral culturele uitstraling krijgen. Het wordt als het ware een tegenhanger van het ‘sjieke Céramique’. Zij hebben hun plan de naam Mosae Porte meegegeven, de poort naar Mosae Ponte (Wilhelminabrug) en Mosae Forum, het nieuwe winkelcentrum in aanbouw. Winkels, ateliers, cafés en lofts worden ondergebracht in één gebouw dat de vorm heeft van een boekenkast.
Winnaar van de prijsvraag, Michiel Ritzen uit Maastricht, koos er als enige niet voor de Griend vol te bouwen. Hij maakte een nieuw plan in directe relatie tot die op te knappen Wilhelminabrug. Aan de kop komt een, zoals Ritzen het zelf omschrijft, trapgebouw. Dat begint aan de zijde van De Griend, wordt onderbroken door de brug, en gaat aan de andere kant in stadsdeel Wyck in ‘trapjes’ verder, de hoogte in. Het is de bedoeling dat je er over heen kunt lopen, een uitzichtpunt, voor iedereen toegankelijk. Het complex herbergt kleine appartementen, winkels en horeca.
De Griend wordt een ecologisch verantwoorde speelplek. Het krijgt een zwemvoorziening met water dat op een natuurlijke manier wordt gezuiverd, à la soortgelijke initiatieven in Kopenhagen en Barcelona. Verder is er ruimte voor een skatezone en een basketbalveld.
Aan de andere kant, ter hoogte van de ingang van de parkeergarage, wil Ritzen een tweede (poort) gebouw neerzetten. Met het oog op – en dat is verrassend maar misschien ook wel weer logisch als je er langer over nadenkt – een brugverbinding tussen Griend en het Bassin aan de andere kant van de Maas. In zijn filosofie zijn deze gebieden in de toekomst wél uitgegroeid tot twee druk bezochte plekken en is er dus behoefte aan een snelle verbinding tussen beiden.
Als het aan Servatius ligt, mag Ritzen zijn plan voor een groot deel uitvoeren. Maar in het ‘masterplan Griend’ dat de woningstichting aan de gemeente Maastricht gaat aanbieden, worden een aantal aansprekende elementen van de andere architecten ook overgenomen. Wanneer we dan met z’n allen van De Griend nieuwe stijl kunnen genieten? Dat blijft – zeker in Maastricht – natuurlijk de grote vraag.
De Griend is sfeerloos, inspiratieloos, karakterloos. De Luikse architecten Stéphane Caprasse en Jean-Christophe Culot reisden op een zondagmiddag af naar Maastricht. Om drie uur ’s middags maakten ze een wandeling over De Griend. Het was prachtig weer, maar ze kwamen – letterlijk – geen hond tegen. Woningstichting Servatius vroeg het duo, samen met drie andere talentvolle, veelal jonge architecten, mee te doen aan de prijsvraag Mosae Ponte: het ontwikkelen van vernieuwende ideeën voor de invulling van de open plekken aan de oostzijde van de brug, het gebied rondom de Griend en de Ridderbrouwerij. De oorspronkelijke plannen, daterend van december 2004, dreigden immers in vergetelheid te raken. Een vakjury met, onder andere Servatius-directeur Leks Verzijlbergh en beeldend kunstenaar Caius Spronken, maakte vanavond tijdens het zeer druk bezochte TOPOS-architectuurcafé in Ipanema de winnaar bekend.
Caprasse en Culot wonnen niet, al vond de jury hun stedenbouwkundig ontwerp ‘top’. Zij kozen ervoor, net als de andere ‘verliezers’ Peter Vandenboorn en Raymond Haenen van Huiswerk architecten uit Maastricht en Paul van Well uit Amsterdam, De Griend te bebouwen. In de visie van Huiswerk architecten moet het gebied een dynamische en vooral culturele uitstraling krijgen. Het wordt als het ware een tegenhanger van het ‘sjieke Céramique’. Zij hebben hun plan de naam Mosae Porte meegegeven, de poort naar Mosae Ponte (Wilhelminabrug) en Mosae Forum, het nieuwe winkelcentrum in aanbouw. Winkels, ateliers, cafés en lofts worden ondergebracht in één gebouw dat de vorm heeft van een boekenkast.
Winnaar van de prijsvraag, Michiel Ritzen uit Maastricht, koos er als enige niet voor de Griend vol te bouwen. Hij maakte een nieuw plan in directe relatie tot die op te knappen Wilhelminabrug. Aan de kop komt een, zoals Ritzen het zelf omschrijft, trapgebouw. Dat begint aan de zijde van De Griend, wordt onderbroken door de brug, en gaat aan de andere kant in stadsdeel Wyck in ‘trapjes’ verder, de hoogte in. Het is de bedoeling dat je er over heen kunt lopen, een uitzichtpunt, voor iedereen toegankelijk. Het complex herbergt kleine appartementen, winkels en horeca.
De Griend wordt een ecologisch verantwoorde speelplek. Het krijgt een zwemvoorziening met water dat op een natuurlijke manier wordt gezuiverd, à la soortgelijke initiatieven in Kopenhagen en Barcelona. Verder is er ruimte voor een skatezone en een basketbalveld.
Aan de andere kant, ter hoogte van de ingang van de parkeergarage, wil Ritzen een tweede (poort) gebouw neerzetten. Met het oog op – en dat is verrassend maar misschien ook wel weer logisch als je er langer over nadenkt – een brugverbinding tussen Griend en het Bassin aan de andere kant van de Maas. In zijn filosofie zijn deze gebieden in de toekomst wél uitgegroeid tot twee druk bezochte plekken en is er dus behoefte aan een snelle verbinding tussen beiden.
Als het aan Servatius ligt, mag Ritzen zijn plan voor een groot deel uitvoeren. Maar in het ‘masterplan Griend’ dat de woningstichting aan de gemeente Maastricht gaat aanbieden, worden een aantal aansprekende elementen van de andere architecten ook overgenomen. Wanneer we dan met z’n allen van De Griend nieuwe stijl kunnen genieten? Dat blijft – zeker in Maastricht – natuurlijk de grote vraag.
zondag, november 05, 2006
05 11 06 | Corbijn
Zal het Maastricht ooit lukken op nationale tv te komen met een trendy maar taai onderwerp als citymarketing, zoals Den Haag dat afgelopen week presteerde in de populaire talkshow ‘De wereld draait door’, prime time bovendien? Ik denk het niet. De Haagse wethouder citymarketing Frits Huffnagel deed het wel. Hij mocht aan tafel bij presentator Matthijs van Nieuwkerk en legde met de nodige bluf, die hij zo graag vaker wil horen van zijn stadgenoten, uit hoe Den Haag zich nationaal en internationaal wil profileren.
Huffnagel is op dit terrein een man met verstand van zaken. In Amsterdam, waar hij als wethouder financiën moest aftreden omdat hij een onkostenvergoeding niet had opgegeven bij de Belastingdienst, werd hij ‘mr. I AMsterdam’ genoemd. Met die slogan, onderdeel van het citymarketingprogramma, probeert de hoofdstad bedrijven en toeristen te lokken.
De VVD’er poogt nu Den Haag te verlossen van het imago van duffe stad. Maar de ‘ware reden’ dat hij zijn verhaal mag doen op Nederland 3 zit rechts naast hem in de studio. Anton Corbijn is ontwerper en vooral bekend als fotograaf van de legendarische popgroep U2. Het door hem gemaakte logo (een vlieger in de stadskleuren geel en groen, met daarin elementen als de zee en het schilderij Victory Boogie Woogie van Piet Mondriaan als symbool voor Den Haag als cultuurstad en de vrijheid) moet Den Haag herkenbaarder maken.
Publiciteit is publiciteit, moet Huffnagel gedacht hebben. Dus ook slechte. Het één uur durende feest waarmee de gemeente op woensdag 1 november het beeldmerk presenteerde kostte, zo berekende AD/Haagsche Courant, 52.77 euro per seconde. In totaal werd 190.000 euro (dat is exclusief ontwerpkosten) uitgegeven aan het evenement. Pure verkwisting volgens de lokale SP, noodzakelijk volgens een woordvoerder van Huffnagel omdat je “maar één keer een beeldmerk van Corbijn lanceert”.
Behalve het goede voornemen is citymarketing in Maastricht nog steeds niet echt van start gegaan. Een slogan of logo is hier nog lang niet aan de orde. Ik vrees dat wethouder Jean Jacobs, verantwoordelijk voor citymarketing, en citymarketeer Erik Rosier al blij mogen zijn met een item van een paar minuten op de lokale en regionale zenders TV Maastricht en L1.
Huffnagel is op dit terrein een man met verstand van zaken. In Amsterdam, waar hij als wethouder financiën moest aftreden omdat hij een onkostenvergoeding niet had opgegeven bij de Belastingdienst, werd hij ‘mr. I AMsterdam’ genoemd. Met die slogan, onderdeel van het citymarketingprogramma, probeert de hoofdstad bedrijven en toeristen te lokken.
De VVD’er poogt nu Den Haag te verlossen van het imago van duffe stad. Maar de ‘ware reden’ dat hij zijn verhaal mag doen op Nederland 3 zit rechts naast hem in de studio. Anton Corbijn is ontwerper en vooral bekend als fotograaf van de legendarische popgroep U2. Het door hem gemaakte logo (een vlieger in de stadskleuren geel en groen, met daarin elementen als de zee en het schilderij Victory Boogie Woogie van Piet Mondriaan als symbool voor Den Haag als cultuurstad en de vrijheid) moet Den Haag herkenbaarder maken.
Publiciteit is publiciteit, moet Huffnagel gedacht hebben. Dus ook slechte. Het één uur durende feest waarmee de gemeente op woensdag 1 november het beeldmerk presenteerde kostte, zo berekende AD/Haagsche Courant, 52.77 euro per seconde. In totaal werd 190.000 euro (dat is exclusief ontwerpkosten) uitgegeven aan het evenement. Pure verkwisting volgens de lokale SP, noodzakelijk volgens een woordvoerder van Huffnagel omdat je “maar één keer een beeldmerk van Corbijn lanceert”.
Behalve het goede voornemen is citymarketing in Maastricht nog steeds niet echt van start gegaan. Een slogan of logo is hier nog lang niet aan de orde. Ik vrees dat wethouder Jean Jacobs, verantwoordelijk voor citymarketing, en citymarketeer Erik Rosier al blij mogen zijn met een item van een paar minuten op de lokale en regionale zenders TV Maastricht en L1.
zaterdag, oktober 28, 2006
28 10 06 | Leegloop
Ach, er is zoveel dat Venetië wél heeft en Maastricht niet. Venetië heeft een filmfestival van internationale allure, de biënnale met een dito uitstraling, een historische gondelregatta, een autoluwe binnenstad, Elton John heeft er een palazzo, popster Madonna is er – althans volgens de geruchten - op huizenjacht.
Venetië is het droombeeld van de romantiek, zo lees ik in de reisgidsen en op internet. En dat is waar. Als je in Venetië door de nauwe steegjes dwaalt of vanuit de vaporetto (de onvermijdelijke watertaxi) de stad aanschouwt, waan je je in één groot openluchtmuseum.
Toch is het niet vreemd dat Venetië en Maastricht vaak in één adem worden genoemd als de discussie over toerisme gaat. Toerisme is voor beide steden nu eenmaal een van de belangrijkste economische pijlers. Venetië trekt jaarlijks 18 miljoen toeristen, Maastricht twee miljoen minder. Het karakter van deze steden kent een aantal parallellen: de compactheid, de historische kwaliteit, het culturele erfgoed, het winkelaanbod en de Europese uitstraling.
Piazza San Marco en het Vrijthof, hoewel onvergelijkbare grootheden, roepen toch een beetje het hetzelfde gevoel op. Het San Marco is het mooiste plein van Italië, het Vrijthof heeft - als we de diverse onderzoeken mogen geloven - eenzelfde status in Nederland.
Hoe vleiend het ook is met één van Europa’s mooiste kleinere steden vergeleken te worden, Maastricht wil nooit zoals Venetië worden. De schaduwkant van deze prachtige Italiaanse stad, vaak uit de wind gehouden door de glamour en overweldigende toeloop van dagjesmensen, is namelijk het grote spookbeeld van Maastricht. De afgelopen veertig jaar halveerde het aantal inwoners. Tijdens de grote overstromingen van 1966 gaf het bevolkingsregister van Venetië nog aan dat er 121.000 inwoners waren. Anno 2006 zijn dat er nog maar 62.000.
Dagblad la Repubblica citeerde in juli een gemeenteambtenaar: “Het aftellen is begonnen. Als het zo doorgaat, kan de laatste inwoner in 2030 het licht uitdoen.” Het gevaar bestaat dat Venetië een soort Disneyland wordt, een stad waar toeristen elkaar voor de voeten lopen, massaal in de rij voor de leukste culturele attracties, en ’s avonds vertrekken ze weer.
Dan blijft een stad achter waar nog maar weinig ramen verlicht zijn, zo heb ik deze week met eigen ogen kunnen constateren. Natuurlijk, om je heen hoor je mensen nog wel Italiaans spreken, maar de Japanners, Australiërs en Duitsers zijn minstens zo goed vertegenwoordigd. Je mist die typische Italiaanse sfeer op de pleintjes, in het café, op de straathoek.
De Venetianen die er nog wel wonen, leggen de schuld bij het gemeentebestuur. Dat heeft te weinig gedaan voor haar inwoners. Sinds de verhuur van appartementen aan toeristen enkele jaren geleden is vrijgegeven, is de waarde van huizen verdubbeld. In vijf jaar steeg de gemiddelde huurprijs met 45 procent naar 1500 euro per maand. Venetië wordt steeds meer een stad voor de allerrijksten.
In de talloze ‘woonkrantjes’ die overal in de stad gratis te krijgen zijn, staat het inderdaad zwart op. Voor de meest simpele tweekamerappartementen met een keuken betaal je soms al drie tot vier ton. En dan zit je nog een eindje af van de A-locatie die Piazza San Marco heet.
Het is dus niet raar het Maastrichtse stadsbestuur de recente demografische neergang hoog op de politieke agenda wil plaatsen. In 2003 telde Maastricht nog 122.176 inwoners, volgens de laatste telling aan het einde van vorig jaar was dat aantal 120.137. Een van de belangrijkste oorzaken is vergrijzing. Een bevolkingsprognose, te vinden op de website van de gemeente, geeft aan dat in 2030 nog maar 115.800 mensen in Maastricht wonen.
Een noodtoestand, zo omschreef wethouder Maria Rumiz van Volkshuisvesting de huidige situatie van Venetië op 8 september in een interview met NRC Handelsblad. “Je kunt sterven aan toerisme. Belangrijk is dat de stad ook andere inkomstenbronnen creëert. Anders verliest Venetië zijn karakter.” Laat het een waarschuwing zijn voor Maastricht.
Venetië is het droombeeld van de romantiek, zo lees ik in de reisgidsen en op internet. En dat is waar. Als je in Venetië door de nauwe steegjes dwaalt of vanuit de vaporetto (de onvermijdelijke watertaxi) de stad aanschouwt, waan je je in één groot openluchtmuseum.
Toch is het niet vreemd dat Venetië en Maastricht vaak in één adem worden genoemd als de discussie over toerisme gaat. Toerisme is voor beide steden nu eenmaal een van de belangrijkste economische pijlers. Venetië trekt jaarlijks 18 miljoen toeristen, Maastricht twee miljoen minder. Het karakter van deze steden kent een aantal parallellen: de compactheid, de historische kwaliteit, het culturele erfgoed, het winkelaanbod en de Europese uitstraling.
Piazza San Marco en het Vrijthof, hoewel onvergelijkbare grootheden, roepen toch een beetje het hetzelfde gevoel op. Het San Marco is het mooiste plein van Italië, het Vrijthof heeft - als we de diverse onderzoeken mogen geloven - eenzelfde status in Nederland.
Hoe vleiend het ook is met één van Europa’s mooiste kleinere steden vergeleken te worden, Maastricht wil nooit zoals Venetië worden. De schaduwkant van deze prachtige Italiaanse stad, vaak uit de wind gehouden door de glamour en overweldigende toeloop van dagjesmensen, is namelijk het grote spookbeeld van Maastricht. De afgelopen veertig jaar halveerde het aantal inwoners. Tijdens de grote overstromingen van 1966 gaf het bevolkingsregister van Venetië nog aan dat er 121.000 inwoners waren. Anno 2006 zijn dat er nog maar 62.000.
Dagblad la Repubblica citeerde in juli een gemeenteambtenaar: “Het aftellen is begonnen. Als het zo doorgaat, kan de laatste inwoner in 2030 het licht uitdoen.” Het gevaar bestaat dat Venetië een soort Disneyland wordt, een stad waar toeristen elkaar voor de voeten lopen, massaal in de rij voor de leukste culturele attracties, en ’s avonds vertrekken ze weer.
Dan blijft een stad achter waar nog maar weinig ramen verlicht zijn, zo heb ik deze week met eigen ogen kunnen constateren. Natuurlijk, om je heen hoor je mensen nog wel Italiaans spreken, maar de Japanners, Australiërs en Duitsers zijn minstens zo goed vertegenwoordigd. Je mist die typische Italiaanse sfeer op de pleintjes, in het café, op de straathoek.
De Venetianen die er nog wel wonen, leggen de schuld bij het gemeentebestuur. Dat heeft te weinig gedaan voor haar inwoners. Sinds de verhuur van appartementen aan toeristen enkele jaren geleden is vrijgegeven, is de waarde van huizen verdubbeld. In vijf jaar steeg de gemiddelde huurprijs met 45 procent naar 1500 euro per maand. Venetië wordt steeds meer een stad voor de allerrijksten.
In de talloze ‘woonkrantjes’ die overal in de stad gratis te krijgen zijn, staat het inderdaad zwart op. Voor de meest simpele tweekamerappartementen met een keuken betaal je soms al drie tot vier ton. En dan zit je nog een eindje af van de A-locatie die Piazza San Marco heet.
Het is dus niet raar het Maastrichtse stadsbestuur de recente demografische neergang hoog op de politieke agenda wil plaatsen. In 2003 telde Maastricht nog 122.176 inwoners, volgens de laatste telling aan het einde van vorig jaar was dat aantal 120.137. Een van de belangrijkste oorzaken is vergrijzing. Een bevolkingsprognose, te vinden op de website van de gemeente, geeft aan dat in 2030 nog maar 115.800 mensen in Maastricht wonen.
Een noodtoestand, zo omschreef wethouder Maria Rumiz van Volkshuisvesting de huidige situatie van Venetië op 8 september in een interview met NRC Handelsblad. “Je kunt sterven aan toerisme. Belangrijk is dat de stad ook andere inkomstenbronnen creëert. Anders verliest Venetië zijn karakter.” Laat het een waarschuwing zijn voor Maastricht.
vrijdag, oktober 27, 2006
27 10 06 | Venetië
Was afgelopen week vijf dagen in Venetië. Stad van Piazza San Marco, Grand Canale, prachtige palazzi en – natuurlijk – de onvermijdelijke gondels. Stad ook van de tweejaarlijkse architectuurbiënnale in het openbare park Giardini en in het voormalige scheepswerf Arsenale. Tentoonstellingsdirecteur Richard Burdett koos dit keer als thema: steden, architectuur en maatschappij.
Immers, volgend jaar woont de helft van de wereldbevolking in steden. Kenners voorspellen dat in 2050 driekwart van de mensen zijn toevlucht heeft gezocht tot de steden. In tientallen exposities in de landenpaviljoens en het kolossale Arsenale gaat de aandacht vooral uit naar snel groeiende miljoenensteden zoals Mumbai, Tokio, Sao Paulo, Cairo, Londen, Peking en Los Angeles. Deze giganten laten zich op verschillende terreinen natuurlijke prima met elkaar meten, maar elke vergelijking met het kleine Venetië loopt scheef.
Nee, deze prachtige Noord-Italiaanse stad hoort – zeker als het gaat om cultureel erfgoed en toerisme – thuis in het rijtje Europese plaatsen waar ook Maastricht in dient te staan. Hierover later meer.
Immers, volgend jaar woont de helft van de wereldbevolking in steden. Kenners voorspellen dat in 2050 driekwart van de mensen zijn toevlucht heeft gezocht tot de steden. In tientallen exposities in de landenpaviljoens en het kolossale Arsenale gaat de aandacht vooral uit naar snel groeiende miljoenensteden zoals Mumbai, Tokio, Sao Paulo, Cairo, Londen, Peking en Los Angeles. Deze giganten laten zich op verschillende terreinen natuurlijke prima met elkaar meten, maar elke vergelijking met het kleine Venetië loopt scheef.
Nee, deze prachtige Noord-Italiaanse stad hoort – zeker als het gaat om cultureel erfgoed en toerisme – thuis in het rijtje Europese plaatsen waar ook Maastricht in dient te staan. Hierover later meer.
zaterdag, september 16, 2006
16 09 06 | Starbucks
Oké, let op. Dit is een kans uit duizenden. Grijp ‘m, ga de uitdaging aan, laat zien dat je een voorloper kunt én wil zijn, een trendsetter zelfs, wees hip. Toon lef, visie en voortschrijdend inzicht. Haal Starbucks naar Maastricht! Als eerste stad in heel Nederland. Zo vaak overkomt je dat toch niet? Geef de toonaangevende koffiezaak met vestigingen in 36 landen wereldwijd hier ook een mooie plek.
Op de Ezelsmarkt misschien, in dat karakteristieke pand op de kop waar ooit Ramblas zat? Bassin, is dat een optie? Trek je dat toch prestigieuze deel van Maastricht wellicht ook nog een beetje uit het slop. Of maak het onderdeel van de plannen voor een theatercafé aan het Vrijthof.
Oké, even wat achtergrondinformatie. Starbucks is een ‘koffiecafé’ dat – uiteraard – zijn oorsprong heeft in Amerika. Liefhebbers noemen het een ‘nieuwe koffie-ervaring’. Behalve de coffee-to-go is er alle ruimte om in de zaak op comfortabele fauteuils of banken rustig je krantje te lezen met een ontelbaar aantal koffiesoorten binnen handbereik.
In Amman, Bangkok, Berlijn, Manchester of Zürich. Waar we ter wereld ook op reis zijn, Starbucks vormt een soort rustpunt. Het voelt bijna (of word ik nu sentimenteel?) als thuiskomen. Het Blad Carp vroeg zich onlangs af waar Starbucks toch blijft, terwijl het Europese hoofdkantoor nota bene in Amsterdam zit. De consument lijkt er klaar voor. Er is zelfs een website waar je een petitie kunt tekenen als je er voorstander van bent dat Starbucks snel naar Nederland komt. Meer dan 3500 handtekeningen zijn al gezet.
Wie op internet met google zoekt, stuit al snel op een interessante scriptie van Erik Bijsterbosch die onderzoek heeft gedaan “naar de vestigingsmogelijkheden van het bedrijf Starbucks in de Nederlandse coffee-to-go markt”. Deze Nijmeegse student van de Radboud Universiteit concludeert dat er kansen liggen in de hoofdwinkelstraten van de tien grote steden (minus Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag) en volgens hem dus óók in Maastricht.
Dus… waar is het wachten nog op? Moet de Maastrichtenaar en de zo geliefde toerist dan écht dertig kilometer verderop naar de Marktplatz in Aken? En een beetje concurrentie voor het veelgeprezen maar tegenwoordig altijd propvolle Coffeelovers - dat is te merken aan de snel teruglopende service - kan zeker geen kwaad. Ben benieuwd hoe lang het een en ander gaat duren. Ik begin alvast met aftellen…
Op de Ezelsmarkt misschien, in dat karakteristieke pand op de kop waar ooit Ramblas zat? Bassin, is dat een optie? Trek je dat toch prestigieuze deel van Maastricht wellicht ook nog een beetje uit het slop. Of maak het onderdeel van de plannen voor een theatercafé aan het Vrijthof.
Oké, even wat achtergrondinformatie. Starbucks is een ‘koffiecafé’ dat – uiteraard – zijn oorsprong heeft in Amerika. Liefhebbers noemen het een ‘nieuwe koffie-ervaring’. Behalve de coffee-to-go is er alle ruimte om in de zaak op comfortabele fauteuils of banken rustig je krantje te lezen met een ontelbaar aantal koffiesoorten binnen handbereik.
In Amman, Bangkok, Berlijn, Manchester of Zürich. Waar we ter wereld ook op reis zijn, Starbucks vormt een soort rustpunt. Het voelt bijna (of word ik nu sentimenteel?) als thuiskomen. Het Blad Carp vroeg zich onlangs af waar Starbucks toch blijft, terwijl het Europese hoofdkantoor nota bene in Amsterdam zit. De consument lijkt er klaar voor. Er is zelfs een website waar je een petitie kunt tekenen als je er voorstander van bent dat Starbucks snel naar Nederland komt. Meer dan 3500 handtekeningen zijn al gezet.
Wie op internet met google zoekt, stuit al snel op een interessante scriptie van Erik Bijsterbosch die onderzoek heeft gedaan “naar de vestigingsmogelijkheden van het bedrijf Starbucks in de Nederlandse coffee-to-go markt”. Deze Nijmeegse student van de Radboud Universiteit concludeert dat er kansen liggen in de hoofdwinkelstraten van de tien grote steden (minus Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Den Haag) en volgens hem dus óók in Maastricht.
Dus… waar is het wachten nog op? Moet de Maastrichtenaar en de zo geliefde toerist dan écht dertig kilometer verderop naar de Marktplatz in Aken? En een beetje concurrentie voor het veelgeprezen maar tegenwoordig altijd propvolle Coffeelovers - dat is te merken aan de snel teruglopende service - kan zeker geen kwaad. Ben benieuwd hoe lang het een en ander gaat duren. Ik begin alvast met aftellen…
zaterdag, september 09, 2006
09 09 06 | Inleiding
Als nooit tevoren verandert Maastricht van gezicht. In snel tempo wordt de komende maanden een fundament gelegd voor de toekomst. Wijken worden gemoderniseerd, opgeknapt of zelfs compleet nieuw uit de grond gestampt. Als het moderne winkelcentrum Entre Deux af is en de culturele biografie begin oktober gelanceerd, volgt volgend voorjaar de Markt met pronkstuk Mosae Forum, moet de bouw van de prestigieuze universiteitscampus in Randwyck beginnen, het ‘nieuwe’ Vinkenslag moet eind 2007 klaar zijn en Maastricht viert het 15-jarig bestaan van het EU-verdrag met een groot feest. Er worden ongetwijfeld ook enkele interessante hoofdstukken bijgeschreven aan de ‘komt-er-een-casino-en-zo-ja-waar-discussie’.
Tegelijkertijd moet de stad zich als nooit tevoren ernstig zorgen maken om haar imago. Het verleden koesteren (en die neiging bestaat) is al lang niet meer genoeg. Zeker nu de Sphinx uit de binnenstad vertrekt en Maastricht voor noodgedwongen hervorming staat: van industriestad naar dienstenstad. Vooruit, is het motto.
Maastricht voelt de concurrentie van steden in binnen- en buitenland. Van Amsterdam, Rotterdam en ‘s-Hertogenbosch, maar óók van Barcelona, Brussel en Dublin. In de slag om de toerist staat Maastricht op een kruispunt van wegen. Waarheen? De stad moet een merk worden, één richting kiezen. Maar hoe? Maastricht heeft toch alles? Citymarketing heet het instrument dat heden en verleden moet verenigen en de strategie moet bepalen.
Dit weblog zal een jaar lang in het teken staan van de metamorfose van Maastricht: een stad in versnelling. Al moet daar een vraagteken achter staan, want in Maastricht ‘komt toch nooit iets op tijd af?’ Het is een veel gehoorde zin in een stad met een veel grotere allure en ambitie dan mogelijkheden. En dan spreekt de mentaliteit van de Maastrichtenaren als vanzelfsprekend ook een woordje mee. De trotse, ietwat conservatieve ‘naar binnen gerichte’ manier van denken van de Mestreechteneere versus het koele, vaak ook creatieve zakeninstinct van sommige ondernemers. Dat botst en kan processen tot in lengte van dagen vertragen.
Dit blog wil een gids zijn in de interessante maanden die komen. Achtergronden schetsen, persoonlijk commentaar geven, een brede blik werpen op de stad Maastricht die weliswaar van gezicht verandert maar qua karakter worstelt met zichzelf. Waar moet het heen? Wat zijn de plannen en wat komt er van terecht? Wat gaat er goed of fout, en waarom? Aan het einde van de rit moet duidelijk worden hoe Maastricht zich aan de toekomst gaat presenteren.
Tegelijkertijd moet de stad zich als nooit tevoren ernstig zorgen maken om haar imago. Het verleden koesteren (en die neiging bestaat) is al lang niet meer genoeg. Zeker nu de Sphinx uit de binnenstad vertrekt en Maastricht voor noodgedwongen hervorming staat: van industriestad naar dienstenstad. Vooruit, is het motto.
Maastricht voelt de concurrentie van steden in binnen- en buitenland. Van Amsterdam, Rotterdam en ‘s-Hertogenbosch, maar óók van Barcelona, Brussel en Dublin. In de slag om de toerist staat Maastricht op een kruispunt van wegen. Waarheen? De stad moet een merk worden, één richting kiezen. Maar hoe? Maastricht heeft toch alles? Citymarketing heet het instrument dat heden en verleden moet verenigen en de strategie moet bepalen.
Dit weblog zal een jaar lang in het teken staan van de metamorfose van Maastricht: een stad in versnelling. Al moet daar een vraagteken achter staan, want in Maastricht ‘komt toch nooit iets op tijd af?’ Het is een veel gehoorde zin in een stad met een veel grotere allure en ambitie dan mogelijkheden. En dan spreekt de mentaliteit van de Maastrichtenaren als vanzelfsprekend ook een woordje mee. De trotse, ietwat conservatieve ‘naar binnen gerichte’ manier van denken van de Mestreechteneere versus het koele, vaak ook creatieve zakeninstinct van sommige ondernemers. Dat botst en kan processen tot in lengte van dagen vertragen.
Dit blog wil een gids zijn in de interessante maanden die komen. Achtergronden schetsen, persoonlijk commentaar geven, een brede blik werpen op de stad Maastricht die weliswaar van gezicht verandert maar qua karakter worstelt met zichzelf. Waar moet het heen? Wat zijn de plannen en wat komt er van terecht? Wat gaat er goed of fout, en waarom? Aan het einde van de rit moet duidelijk worden hoe Maastricht zich aan de toekomst gaat presenteren.