Het is de week van de zesjes-cultuur. Het debat, aangezwengeld door Jan Peter Balkenende, krijgt volop ruimte in de media. Als we de premier moeten geloven gaat het hier om een nieuwe Hollandse ziekte. Nederland als luie en verwende natie, waar jongeren niet hard genoeg leren en we met z’n allen in ons werk onvoldoende passie tonen om het land vooruit te helpen.
Het is niet interessant om aan Afaina de Jong te vragen of ze de mening van Balkenende deelt. De 30-jarige Amsterdamse straalt uit dat ze weigert plaats te nemen in het grote peloton behept met die verguisde zesjes-mentaliteit. Deze architecte moet je vooral vragen welke ideeën zij heeft om Nederland vooruit te helpen. De stad en zijn bewoners vormt daarbij de ultieme inspiratiebron, want mensen maken de stad. Hierover meer in het boek.
Meer informatie: www.afarai.com
dinsdag, september 11, 2007
zaterdag, augustus 25, 2007
25 08 07 | Erbij zijn
De toekomst van Maastricht. Mooi onderwerp voor Jo Coenen. Hét onderwerp voor Jo Coenen. Ooit definieerde de Heerlense architect en stedenbouwkundige in een interview een van zijn belangrijkste drijfveren als volgt: “Erbij zijn waar de stad van de toekomst, en dus de samenleving van de toekomst, wordt ontworpen.” Anno 2007 werkt hij nog steeds vol overgave mee aan het boetseren van Maastricht, om de stad klaar te stomen voor wat komen gaat. Een interview met de voormalige rijksbouwmeester verschijnt ook in het boek.
zondag, juni 10, 2007
10 06 07 | Werk aan de wijk
“De Limburgse hoofdstad is een compacte stad met een rijke geschiedenis. Veel van de belangrijkste bezienswaardigheden liggen in of vlak bij het centrum op de linkeroever van de Maas. De meeste toeristen komen naar Maastricht voor zijn historische binnenstad en monumentale kerken, waarvan de Sint Servaas en de Onze Lieve Vrouwekerk de bekendste zijn. Ook interessant zijn het Natuurhistorisch Museum en het Spaans Gouvernement. Daarnaast vormt de middeleeuwse omwalling een belangrijke attractie. Aan de oeverkant van de rivier liggen het Bonnefantenmuseum en de wijk Céramique.”
Het is een letterlijke tekst uit ‘Maastricht & Zuid-Limburg’ van Capitool Reisgidsen. Natuurlijk is de passage ronkend, dat hoort nu eenmaal in zo’n boekje, en natuurlijk lezen we wat we al wisten: Maastricht is vooral het historische centrum en verder – op Céramique, Wyck en de Sint Pietersberg misschien na – niets.
Geen woord over Randwyck, Pottenberg of Wolder. Logisch, die wijken hebben de bezoekers nu eenmaal weinig te bieden en is dus reclametechnisch weinig interessant. Ze zullen op de toeristische barometer ook in de toekomst niet hoog scoren, maar tegelijkertijd doemt daar een dilemma op. Maastricht dient haar buitenwijken de komende jaren zodanig te revitaliseren dat deze buurten op z’n minst de allure ademen die hoort bij het ‘product Maastricht’ en ervoor zorgen dat Maastricht aantrekkelijk blijft voor bewoners en mensen die er willen wonen.
In de nota ‘Een Sociale Visie op de stad Maastricht 2003-2015’ staat onder meer: “Belangstelling voor stedelijk wonen en wonen in het groen aan de stadsrand groeit. Hierop inspelen biedt kansen voor het vasthouden en het aantrekken van de voor de sociale en economische structuur van de stad zo belangrijke middenklasse met jonge gezinnen. Groei van deze groep geeft meer draagvlak voor: voorzieningen, werkgelegenheid etc.”
Maar hoe doe je dat? Vooropgesteld, Maastricht is vergeleken met steden als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag natuurlijk geen ‘probleemstad’. Noordoost Maastricht is weliswaar door PvdA-minister Ella Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie aangeduid als een van de veertig probleemwijken, maar de problematiek in Nazareth, Wittevrouwenveld, Wyckerpoort of Limmel – de vier buurten die samen ‘Noordoost’ vormen - is van een totaal andere orde dan die in, bijvoorbeeld, de Amsterdamse Bijlmer of Kanaaleiland in Utrecht.
In het rapport ‘Zelfanalyse Grotestedenbeleid 2001’ concludeert de gemeente zelf dat Maastricht over het algemeen een goede woonstad is en dat ook wil blijven. “Wel staan leefbaarheid en veiligheid onder druk, met name in bepaalde buurten en komt de bestaande woningvoorraad niet in voldoende mate overeen met de wensen van de inwoners. Daarnaast is het van belang in te spelen op de groeiende kwaliteitsvraag. De nadruk ligt hierbij op uitbreiding van typische stedelijke woonmilieus met een sterke inmenging van wonen, werken en stedelijke voorzieningen in en aangrenzend aan het huidige stadscentrum en groene woonmilieus aan de rand van de stad.”
Zijn herstructurering – bestaande woongebieden aanpakken – of slopen en nieuwbouw dan de oplossingen? Vaak wel. Niet alleen in Maastricht, het is een landelijke trend. Maar volgens cultureel econoom Arjo Klamer, hoogleraar economie van kunst en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, schuilt daarin ook een gevaar.
In een interview met het Financieele Dagblad zei hij vorig jaar: “Wat wij hard noemen, zijn niet de stenen en het economische, maar de ideeën en mentaliteiten. We moeten een nieuwe balans vinden tussen de snelle veranderingen in de economie en de behoefte aan symbolische waarde. Na jarenlang gefocust te zijn op het commerciële, is het nu zaak om meer oog te hebben op de inhoud.”
Klamer betoogt dat steden wel gebouwen kunnen neerzetten, maar die dan ook “moeten vullen met ideeën”. Wat wil je met een gebouw, wat gebeurt er, hoe worden mensen erdoor geïnspireerd? Dat noemt Klamer niet het vaak gebezigde ‘de creatieve stad’, nee hij heeft het over het ‘culturele kapitaal’ of ‘het inspirerende vermogen van de stad’.
Jaarlijks stoppen gemeente Maastricht en corporaties miljoenen in een zogenaamd leefbaarheidsfonds. Hieruit worden activiteiten voor het verbeteren van de leefbaarheid in buurten bekostigd. Denk aan communicatie, veiligheid, kunst in de wijk, buurtbudgetten en bijzondere buurtprojecten. De resultaten zijn helaas niet altijd direct zichtbaar.
Hoe moeilijk het is om ideeën om te zetten in alledaagse succesvolle praktijk weten eerstejaarsstudenten van de Academie Beeldende Kunsten Maastricht sinds kort ook. Zij volgden, ter afsluiting van de propedeusefase, in mei en juni een project waarin ze op zoeken gingen naar ‘de ideale stad’. Het is de bedoeling dat ze een levendige en geëngageerde bijdrage leveren aan de toekomst van de stad. Het centrum van Maastricht was verboden terrein, hun onderzoek concentreerde zich op de buitenwijken.
De aankomende kunstenaars en ontwerpers doolden door de buurten van Maastricht, op zoek naar inspiratie die ze kunnen gebruiken om die buitenwijken – voor zover dat nodig is – leven in te blazen door middel van bijvoorbeeld kunst, cultuur en architectuur. Projectleider Erik de Jong toonde zich tijdens een bijeenkomst, een paar weken voor het verstrijken van de deadline, wel een beetje teleurgesteld over de eerste oogst. Meer dan kreten als een wisselend kunstwerk of een kunstwand met foto’s van de favoriete plekjes van wijkbewoners kwamen de kunststudenten nog niet.
En als zij – toch ook een beetje het culturele kapitaal van Maastricht - het al niet weten…? Maar misschien, zegt Arjo Klamer, is het ook niet altijd nodig. Niet dat Maastricht het van plan was, maar hij pleit ervoor niet alle belangrijke economische functies naar de buitenwijken te verplaatsen. Dan krijg je in zijn visie een allesbehalve leefbare stad.
“Een stad mag best iets unheimisch hebben”, zegt Klamer in het Financieele Dagblad. “Gevaarlijke buurten, lugubere cafés, plekken waar gehandeld wordt of tippelzones. Iedere grote, goede stad heeft dat. Ik zou het niet kunnen organiseren, maar zou je dat allemaal elimineren, dan haal je, gek genoeg, de ziel van een stad eruit. Die schaduwzijde moet er ook zijn. Het gaat dus om veelzijdigheid.”
Het is een letterlijke tekst uit ‘Maastricht & Zuid-Limburg’ van Capitool Reisgidsen. Natuurlijk is de passage ronkend, dat hoort nu eenmaal in zo’n boekje, en natuurlijk lezen we wat we al wisten: Maastricht is vooral het historische centrum en verder – op Céramique, Wyck en de Sint Pietersberg misschien na – niets.
Geen woord over Randwyck, Pottenberg of Wolder. Logisch, die wijken hebben de bezoekers nu eenmaal weinig te bieden en is dus reclametechnisch weinig interessant. Ze zullen op de toeristische barometer ook in de toekomst niet hoog scoren, maar tegelijkertijd doemt daar een dilemma op. Maastricht dient haar buitenwijken de komende jaren zodanig te revitaliseren dat deze buurten op z’n minst de allure ademen die hoort bij het ‘product Maastricht’ en ervoor zorgen dat Maastricht aantrekkelijk blijft voor bewoners en mensen die er willen wonen.
In de nota ‘Een Sociale Visie op de stad Maastricht 2003-2015’ staat onder meer: “Belangstelling voor stedelijk wonen en wonen in het groen aan de stadsrand groeit. Hierop inspelen biedt kansen voor het vasthouden en het aantrekken van de voor de sociale en economische structuur van de stad zo belangrijke middenklasse met jonge gezinnen. Groei van deze groep geeft meer draagvlak voor: voorzieningen, werkgelegenheid etc.”
Maar hoe doe je dat? Vooropgesteld, Maastricht is vergeleken met steden als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag natuurlijk geen ‘probleemstad’. Noordoost Maastricht is weliswaar door PvdA-minister Ella Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie aangeduid als een van de veertig probleemwijken, maar de problematiek in Nazareth, Wittevrouwenveld, Wyckerpoort of Limmel – de vier buurten die samen ‘Noordoost’ vormen - is van een totaal andere orde dan die in, bijvoorbeeld, de Amsterdamse Bijlmer of Kanaaleiland in Utrecht.
In het rapport ‘Zelfanalyse Grotestedenbeleid 2001’ concludeert de gemeente zelf dat Maastricht over het algemeen een goede woonstad is en dat ook wil blijven. “Wel staan leefbaarheid en veiligheid onder druk, met name in bepaalde buurten en komt de bestaande woningvoorraad niet in voldoende mate overeen met de wensen van de inwoners. Daarnaast is het van belang in te spelen op de groeiende kwaliteitsvraag. De nadruk ligt hierbij op uitbreiding van typische stedelijke woonmilieus met een sterke inmenging van wonen, werken en stedelijke voorzieningen in en aangrenzend aan het huidige stadscentrum en groene woonmilieus aan de rand van de stad.”
Zijn herstructurering – bestaande woongebieden aanpakken – of slopen en nieuwbouw dan de oplossingen? Vaak wel. Niet alleen in Maastricht, het is een landelijke trend. Maar volgens cultureel econoom Arjo Klamer, hoogleraar economie van kunst en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, schuilt daarin ook een gevaar.
In een interview met het Financieele Dagblad zei hij vorig jaar: “Wat wij hard noemen, zijn niet de stenen en het economische, maar de ideeën en mentaliteiten. We moeten een nieuwe balans vinden tussen de snelle veranderingen in de economie en de behoefte aan symbolische waarde. Na jarenlang gefocust te zijn op het commerciële, is het nu zaak om meer oog te hebben op de inhoud.”
Klamer betoogt dat steden wel gebouwen kunnen neerzetten, maar die dan ook “moeten vullen met ideeën”. Wat wil je met een gebouw, wat gebeurt er, hoe worden mensen erdoor geïnspireerd? Dat noemt Klamer niet het vaak gebezigde ‘de creatieve stad’, nee hij heeft het over het ‘culturele kapitaal’ of ‘het inspirerende vermogen van de stad’.
Jaarlijks stoppen gemeente Maastricht en corporaties miljoenen in een zogenaamd leefbaarheidsfonds. Hieruit worden activiteiten voor het verbeteren van de leefbaarheid in buurten bekostigd. Denk aan communicatie, veiligheid, kunst in de wijk, buurtbudgetten en bijzondere buurtprojecten. De resultaten zijn helaas niet altijd direct zichtbaar.
Hoe moeilijk het is om ideeën om te zetten in alledaagse succesvolle praktijk weten eerstejaarsstudenten van de Academie Beeldende Kunsten Maastricht sinds kort ook. Zij volgden, ter afsluiting van de propedeusefase, in mei en juni een project waarin ze op zoeken gingen naar ‘de ideale stad’. Het is de bedoeling dat ze een levendige en geëngageerde bijdrage leveren aan de toekomst van de stad. Het centrum van Maastricht was verboden terrein, hun onderzoek concentreerde zich op de buitenwijken.
De aankomende kunstenaars en ontwerpers doolden door de buurten van Maastricht, op zoek naar inspiratie die ze kunnen gebruiken om die buitenwijken – voor zover dat nodig is – leven in te blazen door middel van bijvoorbeeld kunst, cultuur en architectuur. Projectleider Erik de Jong toonde zich tijdens een bijeenkomst, een paar weken voor het verstrijken van de deadline, wel een beetje teleurgesteld over de eerste oogst. Meer dan kreten als een wisselend kunstwerk of een kunstwand met foto’s van de favoriete plekjes van wijkbewoners kwamen de kunststudenten nog niet.
En als zij – toch ook een beetje het culturele kapitaal van Maastricht - het al niet weten…? Maar misschien, zegt Arjo Klamer, is het ook niet altijd nodig. Niet dat Maastricht het van plan was, maar hij pleit ervoor niet alle belangrijke economische functies naar de buitenwijken te verplaatsen. Dan krijg je in zijn visie een allesbehalve leefbare stad.
“Een stad mag best iets unheimisch hebben”, zegt Klamer in het Financieele Dagblad. “Gevaarlijke buurten, lugubere cafés, plekken waar gehandeld wordt of tippelzones. Iedere grote, goede stad heeft dat. Ik zou het niet kunnen organiseren, maar zou je dat allemaal elimineren, dan haal je, gek genoeg, de ziel van een stad eruit. Die schaduwzijde moet er ook zijn. Het gaat dus om veelzijdigheid.”
woensdag, mei 16, 2007
16 05 07 | Drieluik
Luxemburg is het, Essen wordt het en Maastricht wil het. Luxemburg was cultuurhoofdstad van Europa in 1995 en is het dit jaar weer, Essen draagt deze titel in 2010 samen met het Turkse Istanbul en het Hongaarse Pécs, en Maastricht wil in 2018 Europa en de wereld dolgraag laten zien wat het op cultureel gebied waard is. Een drieluik.
dinsdag, april 24, 2007
24 04 07 | Creatief
Laatst kwam het weer ergens voorbij. Ik had het eigenlijk al een tijdje niet meer gehoord. Het ontsnapte uit de mond van de vrouw die was belast met de presentatie van de tweede aflevering van de Lange Nacht van de Creativiteit in het Centre Céramique. Ze vroeg zich hardop af: “Hoe is het toch met de creatieve industrie?” Goede vraag. Hoe is in Maastricht eigenlijk met het begrip dat de afgelopen vijf jaar heel wat wethouders en beleidsmakers heeft betoverd, of moeten we zeggen geïnspireerd?
Met dank aan de Amerikaanse econoom Richard Florida. Zijn boek ‘The Rise of the Creative Class’ uit 2002 wordt door velen als een soort bijbel gezien, met daarin het antwoord op de vraag hoe een stad economische groei kan bewerkstelligen. In het kort komt het hier op neer: creativiteit is de nieuwe motor achter de economie. Populair geformuleerd: creativiteit is de sleutel tot succes, het kapitaal van de toekomst. In steden als Glasgow, Manchester, Rotterdam, Berlijn en Barcelona heeft het ‘creatieve wonder’ zich al voltrokken.
Toen de binnenstad van Maastricht in november 2006 door opinieweekblad Elsevier werd uitgeroepen tot de economisch sterkste (de beste mix van horeca, winkels, cultuur en zakelijke diensten) van Nederland, voor Den Bosch en Roermond, benadrukte wethouder Jean Jacobs nog maar eens dat creatieve industrie “het toverwoord is” en blijft. Ook al is het aandeel in de werkgelegenheid nauwelijks meer dan 2 procent, zo bleek uit onderzoek van TNO.
Toch blijft creatieve industrie een aantrekkelijk speeltje voor de mensen die in steden aan de touwtjes trekken. Het invloedrijke betoog van Florida gedijt overal in de wereld, dus ook in Nederland. Zelfs de koningin refereerde er enkele jaren geleden aan in haar troonrede. De ministerraad besloot in februari 2006 17 miljoen euro uit te trekken voor de creatieve industrie. Provincies spreken hoopvolle verwachtingen uit in trendrapportages en de Limburgse steden kunnen en willen niet achterblijven.
Venlo heeft cultuurwijk Q4, Roermond en Weert doen ook verwoede pogingen op creatief gebied en in Zuid-Limburg hebben Sittard-Geleen, de Parkstad en Maastricht afgesproken zich als ‘Tripolis’ in te spannen om de creatieve industrie tot een succes te maken.
Het gedachtegoed van Florida is in de loop der jaren gecultiveerd. Zijn theorie is als volgt: nu het tijdperk van diensten en industrie voorbij zijn, draait alles om kennis en technologie. Steden moeten inzetten op creatief talent. Tot die ‘creatieve klasse’ rekent Florida niet alleen ontwerpers, musici, schrijvers, architecten en kunstenaars, maar ook wetenschappers, ondernemers, ingenieurs ict-ers en andere technici.
Zij kunnen voor nieuwe economische impulsen zorgen, omdat zij volgens Florida niet de woonplaats selecteren op de banen die er zijn. Het werkt andersom: de bedrijven met hun banen vestigen zich waar het creatieve talent zit. Een slimme stad zorgt er dus voor dat het aantrekkelijk is voor deze groep, veelal jonge mensen. Zij komen af op het leefklimaat.
Natuurlijk is deze categorie personen niet nieuw. Creatievelingen zijn er altijd al geweest. Maar de creative class van Florida maakt, zo schrijft hij in zijn boek, in veel Westerse landen tegenwoordig 30 procent of meer van de beroepsbevolking uit. De creatieve klasse is in Amerika inmiddels groter dan de traditionele working class, werknemers in bijvoorbeeld de fabriek en transportindustrie.
Deze groep zorgt voor het veranderen van traditionele samenlevingspatronen. Zij kijkt op een andere manier tegen werk en vrije tijd aan. Creativiteit laat zich moeilijk inroosteren. Florida concludeert dat stress en burn-outs typerend zijn voor deze klasse. Toch hebben zij een hoge economische toegevoegde waarde voor de maatschappij. Dit kan, bijvoorbeeld, door het bedenken van nieuwe software, maar ook door het ontwerpen van een trendy modemerk of het zorgen voor een miljoenensucces van een band met een hitsingle.
Creatieve steden beschikken in de theorie van Florida over de drie T’s die de ingrediënten vormen voor economische groei: Talent, Tolerantie en Technologie. Een stad moet bijvoorbeeld investeren in high-tech industrie, een goede universiteit en een open klimaat voor nieuwkomers. Etnische diversiteit, beweert Florida, heeft een gunstig effect op de creativiteit. Net als een relatief groot aantal homoseksuele paren. Zie de T van Tolerantie: Florida’s Gay Index als indicator van creativiteit is wereldberoemd.
Maar een bloeiend cultureel en creatief klimaat laat zich niet van bovenaf opleggen. Op zoek naar een alternatief voor de langzaam maar zeker verdwijnende maakindustrie kijken overheden en andere instellingen naar de creatieve ondernemers. Steden als Maastricht worstelen met de vraag hoe de creatieve klasse en daarmee de creatieve industrie naar hen toe kan worden getrokken. Er zijn al vele onderzoeken gedaan, in de hoop enige antwoorden te vinden.
Feit is dat de creatieve industrie een ongrijpbaar fenomeen blijft. Een veelgehoord kritiekpunt op het boek van Florida is dat hij nagenoeg alle hoogopgeleiden tot de creatieve klasse rekent. Maar op welke manier ze precies bijdragen aan de stedelijke cultuur blijft vaag.
Er wordt veel over gepraat, er wordt in geïnvesteerd. Maar wat levert het op. De vraag is dan ook: waar zijn de creatieve spelers in Maastricht? Hoe (on) zichtbaar zijn ze. Wat doen ze? Waar? Wat levert het de stad eigenlijk op?
Met dank aan de Amerikaanse econoom Richard Florida. Zijn boek ‘The Rise of the Creative Class’ uit 2002 wordt door velen als een soort bijbel gezien, met daarin het antwoord op de vraag hoe een stad economische groei kan bewerkstelligen. In het kort komt het hier op neer: creativiteit is de nieuwe motor achter de economie. Populair geformuleerd: creativiteit is de sleutel tot succes, het kapitaal van de toekomst. In steden als Glasgow, Manchester, Rotterdam, Berlijn en Barcelona heeft het ‘creatieve wonder’ zich al voltrokken.
Toen de binnenstad van Maastricht in november 2006 door opinieweekblad Elsevier werd uitgeroepen tot de economisch sterkste (de beste mix van horeca, winkels, cultuur en zakelijke diensten) van Nederland, voor Den Bosch en Roermond, benadrukte wethouder Jean Jacobs nog maar eens dat creatieve industrie “het toverwoord is” en blijft. Ook al is het aandeel in de werkgelegenheid nauwelijks meer dan 2 procent, zo bleek uit onderzoek van TNO.
Toch blijft creatieve industrie een aantrekkelijk speeltje voor de mensen die in steden aan de touwtjes trekken. Het invloedrijke betoog van Florida gedijt overal in de wereld, dus ook in Nederland. Zelfs de koningin refereerde er enkele jaren geleden aan in haar troonrede. De ministerraad besloot in februari 2006 17 miljoen euro uit te trekken voor de creatieve industrie. Provincies spreken hoopvolle verwachtingen uit in trendrapportages en de Limburgse steden kunnen en willen niet achterblijven.
Venlo heeft cultuurwijk Q4, Roermond en Weert doen ook verwoede pogingen op creatief gebied en in Zuid-Limburg hebben Sittard-Geleen, de Parkstad en Maastricht afgesproken zich als ‘Tripolis’ in te spannen om de creatieve industrie tot een succes te maken.
Het gedachtegoed van Florida is in de loop der jaren gecultiveerd. Zijn theorie is als volgt: nu het tijdperk van diensten en industrie voorbij zijn, draait alles om kennis en technologie. Steden moeten inzetten op creatief talent. Tot die ‘creatieve klasse’ rekent Florida niet alleen ontwerpers, musici, schrijvers, architecten en kunstenaars, maar ook wetenschappers, ondernemers, ingenieurs ict-ers en andere technici.
Zij kunnen voor nieuwe economische impulsen zorgen, omdat zij volgens Florida niet de woonplaats selecteren op de banen die er zijn. Het werkt andersom: de bedrijven met hun banen vestigen zich waar het creatieve talent zit. Een slimme stad zorgt er dus voor dat het aantrekkelijk is voor deze groep, veelal jonge mensen. Zij komen af op het leefklimaat.
Natuurlijk is deze categorie personen niet nieuw. Creatievelingen zijn er altijd al geweest. Maar de creative class van Florida maakt, zo schrijft hij in zijn boek, in veel Westerse landen tegenwoordig 30 procent of meer van de beroepsbevolking uit. De creatieve klasse is in Amerika inmiddels groter dan de traditionele working class, werknemers in bijvoorbeeld de fabriek en transportindustrie.
Deze groep zorgt voor het veranderen van traditionele samenlevingspatronen. Zij kijkt op een andere manier tegen werk en vrije tijd aan. Creativiteit laat zich moeilijk inroosteren. Florida concludeert dat stress en burn-outs typerend zijn voor deze klasse. Toch hebben zij een hoge economische toegevoegde waarde voor de maatschappij. Dit kan, bijvoorbeeld, door het bedenken van nieuwe software, maar ook door het ontwerpen van een trendy modemerk of het zorgen voor een miljoenensucces van een band met een hitsingle.
Creatieve steden beschikken in de theorie van Florida over de drie T’s die de ingrediënten vormen voor economische groei: Talent, Tolerantie en Technologie. Een stad moet bijvoorbeeld investeren in high-tech industrie, een goede universiteit en een open klimaat voor nieuwkomers. Etnische diversiteit, beweert Florida, heeft een gunstig effect op de creativiteit. Net als een relatief groot aantal homoseksuele paren. Zie de T van Tolerantie: Florida’s Gay Index als indicator van creativiteit is wereldberoemd.
Maar een bloeiend cultureel en creatief klimaat laat zich niet van bovenaf opleggen. Op zoek naar een alternatief voor de langzaam maar zeker verdwijnende maakindustrie kijken overheden en andere instellingen naar de creatieve ondernemers. Steden als Maastricht worstelen met de vraag hoe de creatieve klasse en daarmee de creatieve industrie naar hen toe kan worden getrokken. Er zijn al vele onderzoeken gedaan, in de hoop enige antwoorden te vinden.
Feit is dat de creatieve industrie een ongrijpbaar fenomeen blijft. Een veelgehoord kritiekpunt op het boek van Florida is dat hij nagenoeg alle hoogopgeleiden tot de creatieve klasse rekent. Maar op welke manier ze precies bijdragen aan de stedelijke cultuur blijft vaag.
Er wordt veel over gepraat, er wordt in geïnvesteerd. Maar wat levert het op. De vraag is dan ook: waar zijn de creatieve spelers in Maastricht? Hoe (on) zichtbaar zijn ze. Wat doen ze? Waar? Wat levert het de stad eigenlijk op?